STRIJP, heetgeb(l)akerd 

Door de jaren heen waren er in Strijp, al dan niet door oorlogshandelingen, heel wat branden geweest. En ook toen Strijp eenmaal een deel van Eindhoven geworden was, kwamen er van tijd tot tijd branden voor.

site maker

STRIJP, heetgeb(l)akerd 

Auteur Peter Snellen
Foto’s: Historische Collectie Brandweer Eindhoven

Dit artikel verscheen ook in
VBB NIEUWSBRIEF • SEPTEMBER 2019 www.brandweer.org
Deze webversie is aangepast en uitgebreid met met informatie en foto's

Een van de stadsdelen van Eindhoven is het vroegere dorpje Strijp. Tot de derde helft van de negentiende eeuw een erg kleine nederzetting, eigenlijk een verzameling gehuchtjes, met als voornaamste middel van bestaan wat boerenbedrijven. Armoede was er troef. Tot die tijd woonden er ook relatief weinig mensen. Maar de industrialisatie kwam op. Enkele bedrijven vestigden zich in (de buurt van) Strijp. 
Met de groei van vooral Philips kwamen er veel mensen naar Eindhoven, die hier de arbeid vonden die in hun eigen vroegere omgeving niet te meer vinden was. Het gevolg was, dat Eindhoven (en ook Strijp) in die eerste 20 jaar van de twintigste eeuw flink kon uitbreiden. 
We beperken ons nu tot de jaren 1920 tot 1940, waarin de gebeurtenissen van dit verhaal zich afspelen.

Peter Snellen

Voor u dit artikel gaat lezen is het volgende van belang: veel van de gegevens zijn gehaald uit krantenartikelen. Bekend is dat krantenuitgevers en journalisten de feiten bekijken vanuit hun gezichtspunt. Je merkt dat verschillende (kranten)bronnen zorgen voor verschillende “feiten” en verhalen van een gebeurtenis. Vooral namen en plaats van gebeuren, wijken nog als af.
In het onderstaande verhaal wordt zoveel mogelijk de originele en oude spelling aangehouden.
 Hiernaast heb ik nog veel gegevens gevonden door mensen te raadplegen, die al vele jaren met diverse onderwerpen uit de geschiedenis van Eindhoven druk bezig waren of zijn.
Peter Snellen.  

Annexatie

Onder meer door de enorme groei van de Philips fabrieken waren er in Eindhoven veel werknemers nodig. Die haalde men overal vandaan. Voor wat betreft mensen uit Drenthe is bijvoorbeeld bekend, dat men - als men bij Philips kwam werken en dochters (die een fijne motoriek hadden, waardoor ze prima de gloeidraden in de lampjes konden monteren) had, die ook bij de firma aan de slag konden - zelfs een huis met een behoorlijke (moes-)tuin kreeg toegewezen. Vandaar ook dat er in Eindhoven een Drents Dorp te vinden is, nu een gewone buurt van Eindhoven, stadsdeel Strijp. Ook Philipsdorp herinnert aan die periode, overigens: ook Philipsdorp behoort tot Strijp. De schrale (maar wel heel goedkoop) te verkrijgen gronden werden door een aantal bedrijven waaronder Philips aangekocht, om er fabrieken op te zetten. Zo groeiden hele gedeelten van het vroegere landelijke Strijp uit tot behoorlijke bedrijventerreinen. En al die fabrieken hadden arbeiders nodig. En al die arbeiders weer woonruimte.
 Omdat zoveel woningen nodig waren voor al die “import” (zo werd het toen echt nog genoemd) groeiden de om Eindhoven gelegen dorpen (zoals Strijp) tot aan het kleine centraal gelegen stadje. Qua bebouwing werd het eigenlijk één aaneengesloten (enigszins stedelijk aandoend) gebied en sociaal gezien had het stadje Eindhoven een echte centrumfunctie. Daarom werden de voormalige gemeenten Stratum, Woensel, Tongelre, Gestel en Strijp samen met die centraal gelegen kleine stad in 1920 samengevoegd tot één “Groot Eindhoven”. 

plattegrond Strijp 1937

Plattegrond van Strijp uit 1937.  
Sinds 1920 onderdeel van Eindhoven.
Klik op de kaart voor vergroting en heel Eindhoven uit 1937.
Uitzoomen met toets ctrl  en +  (PC) / cmd en + (Mac)
verkleinen ctrl/cmd  en -  of  ctrl/cmd en 0 (nul)

Brand in Strijp

Door de jaren heen waren er in Strijp, al dan niet door oorlogshandelingen, heel wat branden geweest. En ook toen Strijp eenmaal een deel van Eindhoven geworden was, kwamen er van tijd tot tijd branden voor. Die werden dan wel niet meer bestreden door de brandweer van Strijp, maar door de inmiddels wat uitgebreide Eindhovense (en in die tijd nog vrijwillige) brandweer. 
Die kreeg het in de jaren dertig even heel druk in dat voormalige dorp. 

Wanneer we de krantenberichten van die jaren er op naslaan, (Delpher biedt wat dat aangaat een schat aan informatie) is er allereerst een voorspel in de nacht van 27 op 28 februari 1927. Rond half twaalf breekt er brand uit in een woning die in een klein huizenblok staat. Er staat een flinke wind die er voor zorgt, dat een heel blok van zes aan elkaar gebouwde woningen met riet gedekt, afbrandt. De brandweer staat praktisch machteloos en beperkt zich tot het beschermen van de huizen in de buurt. De oorzaak kon niet worden vastgesteld, maar dat zo’n brand een flinke impact heeft op de buurt, daarvan kan men verzekerd zijn.

Net zo beroerd wordt het op 7 augustus 1931. Rond half een die nacht, breekt “door onbekende oorzaak” een brand uit in de “kapitale” boerderij van W. van Tuyn (Venstraat) in het gehucht ’t Ven (een van de gehuchten waaruit Strijp is samengesteld). De zus van de boer ontdekt de brand en waarschuwt de overige huisgenoten, die zich in veiligheid stellen. De boerderij staat op dat moment al zodanig in brand, dat er nauwelijks iets te redden valt. Men probeert nog wat huisraad veilig te stellen, maar de brand vernielt uiteindelijk het woongedeelte, landbouwgereedschappen, het hooi en stro en kost het leven aan twee geiten en evenveel varkens. Volgens een verslagje van Pauw van den Brake (een Eindhovense brandweerman die nauwgezet boek voerde over de inzetten) waren het echter twee geiten en enkele kippen. Volgens hem worden 12 man met de brandmeesters Van Gestel en Budde ingezet met als voertuigen een autospuit en een bosbrandweerwagen.
 Niettemin: die brand slaat over op een blok van drie woningen, die net als de boerderij ook met riet gedekt waren. Van die huizen kan wat huisraad in veiligheid gebracht worden, maar alle drie worden ze toch flink beschadigd. 
De brandweer heeft problemen met de bluswatervoorziening, want de dichtstbijzijnde brandkraan ligt op 6 à 700 meter van de brand. Het nablussen duurt volgens Van den Brake dan nog 9 uur!
 Opmerkelijk is, dat kort na de brand in verschillende kranten advertenties verschijnen, waarin vermeld wordt, dat de brandkast die in het pand van W. van Tuyn stond, de brand goed heeft doorstaan en het geld (5000 gulden) en de papieren in die brandkast zonder rook-, brand- of waterschade behouden bleven, wat natuurlijk voor de leverancier van die brandkast (Lips) een prima reclame was. 


Tien dagen later is het weer raak. In de zondagnacht is de boerderij van W. van Grootel aan de Hurksestraat aan de beurt. De Tijd van 17 augustus 1931 meldt (het bericht lijkt erg veel op dat van 7 augustus):
 “In minder dan geen tijd stond de geheele boerenhofstede in lichter laaie en viel aan blusschen niet meer te denken, ook wegens het feit, dat in den verren omtrek geen water te bekennen is. De brandweer, die met de motorspuit en een ladderwagen aanwezig was, kon dan ook niets uitrichten. De geheele boerderij werd een prooi der vlammen. Het vee kon worden gered, doch een kalf kwam in de vuurzee om.” Of men kalveren niet tot het vee rekende, weet ik niet. Opvallend is het wel, evenals ook in dit bericht weer de vermelding, dat “een brandkast, waarin een bedrag aan geld van ongeveer f. 1400 à f 1500. Is intact gebleven”. Het commentaar van Van den Brake luidt: “Geen water in de nabeiheid, zoodat alleen wacht gehouden is“. Ook volgens dat verslag: kort daarvoor is men naar de Beemdstraat geweest, voor een brand in een paardenstal; die kon met enkele emmers water wel geblust worden. En inderdaad, in berichten over dezelfde brand wordt gemeld, dat op nog geen 300 meter van deze brandende boerderij verwijderd (in de Engelsbergenstraat) een schuur in brand stond en dat “aan kwaadwilligheid haast niet meer te twijfelen” valt. Het was de vierde keer in korte tijd dat er in Strijp brand uitbrak en telkens gebeurde dat rond half één ’s nachts. Dat veroorzaakte grote ongerustheid in Strijp, vooral bij de boeren en andere huiseigenaars.



Brand Biezenweg Strijp Eindhoven december 1931 (Hist Coll Brwr Ehv)

Het Algemeen Handelsblad en de Telegraaf van 7 september (let op: steeds weer die 7) schrijft, dat “zondagavond” aan de Zeelsterstraat weer een boerderij is afgebrand. Volgens het al eerder genoemde dagboek is het echter een boerenbedrijf aan de Plaggenstraat. En weer andere bronnen vermelden de Gaffelwegnummer 1. Men vermeldt, dat dit al de zevende brand in korte tijd is. De brand ontstaat in de schuur, waar de hele oogst is opgestapeld. Dit keer kunnen de kinderen van de boer met moeite gered worden en komen er drie varkens in de vlammen om. De Limburger Koerier van 8 september vertelt het allemaal nog smeuïger: “een cafébediende die de kinderen wilde redden, raakte daarbij gewond. Een ander, die een paard wilde bevrijden, snijdt zich daarbij een vinger af. De landbouwer J. de Wetten die de naastgelegen boerderij bewoont, wilde voor alle zekerheid een geldkistje met eenige honderden gulden in veiligheid brengen en gaf het daarom aan zekeren C.v.d.K. met het verzoek dit bij den overbuurman in bewaring te geven. C.v.d.K. deed het kistje echter spoorloos verdwijnen. De politie heeft hem deswege in arrest gesteld. Maandagochtend is het geldkistje achter een naburige woning teruggevonden, doch het geld bleek te zijn ontvreemd.”

 Niet ver van deze boerderij en aan de zelfde straat gelegen is de stoomtimmerfabriek van de heer J. van Tuijn. Daar wordt bijna gelijktijdig een brand ontdekt, die nog in het beginstadium verkeert en daardoor net op tijd door de buren geblust kan worden. 
Over een ding zijn alle kranten het eens: men denkt aan “kwaadwilligheid, zulks temeer, daar den laatsten tijd in Strijp reeds dikwijls brand is voorgekomen.” (Maasbode, 8 september 1931).  

Dan komt er een brand tussendoor, waarvan het (voor mij althans) hoogst onzeker is dat die in de reeks van voornoemde branden thuishoort. Op 25 november meldt De Tijd, dat omstreeks drie uur “afgeloopen nacht” brand was ontstaan in de kruidenierswinkel van den heer Oudmayer te Eindhoven. Het huis was eigendom van de bouwvereeniging “St. Trudo” te Strijp.   

Op 9 december van hetzelfde jaar staat in een klein berichtje in de Limburger Koerier dat maandagnacht om half één (alweer !) aan de Biezenweg onder de “gemeente Strijp” een drietal woningen, bewoond door de families v.d. Berk, Melis en Susam geheel is uitgebrand. De “oorzaak is onbekend. Verzekering dekt de schade.” 
Dan komt er een wending in de reeks branden. 


De Banier schrijft op 15 december 1931:
“Na vele, aanvankelijk vergeefsche, moeite en ijverige nasporingen is het de politie gelukt, den vermoedelijken aanstichter te arresteeren van de branden, waardoor het laatste halfjaar verschillende boerderijen en andere woningen onder voormalig Strijp verwoest werden. Het is de gemeente-tuinman G.P. v.d. L., wonende aldaar, die evenwel hardnekkig blijft ontkennen met deze brandstichtingen iets uitstaande te hebben. Er zijn niettemin tal van aanwijzingen tegen hem. Op last van den commissaris van politie is hij dan ook in arrest gehouden om ter beschikking van de justitie te ’s-Hertogenbosch te worden gesteld.” 

Op dezelfde dag schrijft De Tijd al, dat “de commissaris van politie persoonlijk het onderzoek met zoo groote nauwgezetheid heeft voortgezet, dat weldra kon worden overgegaan tot de arrestatie van een vriend van de verdachte, H.V., eveneens te Strijp woonachtig.” 
“Deze lieden hadden de gewoonte het uur af te wachten, waarop de politie de sluiting der café’s gaat controleeren, om zich daarna met in olie gedrenkte lappen en stroowisschers op pad te begeven, teneinde in de eerste de beste boerderij die zij passeerden, brand te stichten.
 Zij deden dit zo geraffineerd, dat in minder dan geen tijd zulk een hoeve in lichterlaaie stond en meer dan eens de bewoners de grootste moeite hadden hun leven te redden.” 
Even verder wordt dan opgesomd welke branden ze hebben toegegeven:

boerderij van Coppelmans aan de Bezemstraat (nu de Koenraadlaan)

boerderij en twee woonhuizen van Van Tuijn op het Ven

boerderij van den vader van verdachte, eveneens daar gelegen

boerderij van Van der Palen aan den Gaffelweg

boerderij van Van Grootel op den Hurk en die van

Van Lierop aan de Klawierstraat

paardenstal van den landbouwer Bouwman in de Engelsbergen

de maalinrichting van Van Tuijn aan de Veelsborgstraat

drie woonhuizen van den Bakker Melis aan den Biezenweg

boerderij en kolenschuur van Strijbosch aan de Srijpschestraat

boerderij van Neelissen aan den Paaltjesweg.


Het slot van dit artikeltje luidt: “De bevolking van Strijp toont zich ten zeerste opgelucht, dat de daders van de 200 verontrustende branden zijn aangehouden.” 
Maar hoe men nu aan dat getal van 200 branden kwam, is mij niet bekend…de aantallen die her en der genoemd worden wisselen nog al eens, maar die 200 kan ik nergens uit afleiden. In de Telegraaf van 15 december 1931 wordt bijvoorbeeld het getal van 15 boerderijen, “waaronder die van de vader van verdachte L.”, genoemd. Daar wordt ook gezegd, dat de politie door haar strenge surveillances nog tal van andere brandstichtingen heeft weten te voorkomen en hier en daar vindt men ook berichtjes die aangeven, dat er inmiddels ook door de ongeruste burgers zelf werd gepatrouilleerd.  

De tuinman (in gemeentedienst) P. van der Looy (in andere artikelen wordt “Van der Loo” of Looij geschreven) en de bakkersknecht H. Verbeek – zo vindt men in andere berichten terug – hebben een volledige bekentenis afgelegd, dat zij “in zeven grote boerderijen en in vijf woningen, in elkaars gezelschap, na het sluitingsuur der café’s en uit louter balorigheid” brand hebben gesticht. 


Op bovenstaande foto (augustus 1931) de resten van een boerderij op het Ven na een brand waarbij ook aangrenzende huizen vlam vatten.
Dacht men nog aanvankelijk aan broeierig stro dat de brand had veroorzaakt, na meer branden werd al snel duidelijk dat hier een pyromaan aan het werk was. Wat erg opvallend was, alle branden braken omstreeks half een 's nachts uit.
Krantenartikel hier onder is uit: Nieuwe Venlosche Courant 16-12-1931 

Het proces

Het Eindhovens Dagblad van 13 mei 1932 doet uitvoerig verslag van het proces dat tegen de beide brandstichters gevoerd wordt. Volgens die krant luidt de dagvaarding dat zij in september 1931 opzettelijk achttien keer brand hebben gesticht. Vermoedelijk wordt er een hele periode tot september 1931 bedoeld, maar dat wordt dus niet gezegd. Over de motieven wordt vooral gesproken over het bovenmatig drankgebruik (65 biertjes per dag), vooral het drankmisbruik van P. van der Looy. Die was wel kalm “als hij met zijn meisje uit was”, maar anders ging het mis. Deze beschuldigde irriteert blijkbaar ook de president van de rechtbank omdat hij “lacht, glundert , druk is en de indruk maakt onder delirium gehandeld te hebben”, aldus die krant. Verbeek wordt min of meer afgeschilderd als een meeloper, die handelde onder de invloed van zijn vriend. In zijn rol als getuige tegen diezelfde vriend, zegt hij deze (P. van der Looy) had gezegd, dat “die rijke boeren er maar aan moesten!”. Ook wordt een aantal slachtoffers aan het woord gelaten als getuigen. Die vertellen allemaal bijna hetzelfde; dat men het huis ternauwernood kon verlaten en welke schade zij hebben geleden. Het requisitoir van de officier van justitie geeft aan, dat deze zich nog verdiept heeft in het verschijnsel pyromanie door “een Duits boek” te lezen. De advocaat van P. van der Looy geeft aan, dat zijn cliënt een zoon van “welgestelde ouders” is die hoegenaamd geen enkele reden had om brand te stichten. Maar, zo vervolgt hij “Men kan om de zwaarte van een misdrijf, of onder de omstandigheden waaronder het gepleegd wordt vaak meenen, dat een misdadiger geducht moet hebben wat hem toekomt, maar niet den drinker, die in zijn zwakheid zoo tot gewoonte van drinken komt moet men toch eigenlijk medelijden hebben. Pleiter is ervan overtuigd dat zijn cliënt dermate door den drank werd overmeesterd, dat hij werkelijk niet meer wist wat hij deed.” .Vervolgens vraagt hij om verzachtende omstandigheden te willen meerekenen in het oordeel. 

Tegen beide verdachten wordt zes jaar hechtenis geëist. Uiteindelijk luidt de uitspraak van het gerechtshof in januari 1933 drie jaar hechtenis voor elk van hen. 
We weten, omdat hij later opnieuw de fout in gaat en dat in de pers uitvoerig wordt uitgemeten, dat de veroordeelde P. van der Looy daarvan 2 jaar heeft uitgezeten. 


Een tweede golf brandstichtingen

Mobirise

Brand RK Volksbond op donderdagnacht 21 mei 1936 
Brand Abonné sigarenfabriek vrijdag-zaterdagnacht 22/23 mei 1936
"In verband daarmede werden in de  afgelopen nachten het stadhuis, het gebouw 
van de gemeentewerken en het winkelpand van Vroom en Dreesman zeer streng bewaakt". 
foto Katholieke Illustratie van 28 mei 1936.

In Eindhoven – dus niet alleen in Strijp – doet zich in 1936 een tweede golf van brandstichtingen voor. Aan de beurt komen allemaal grote, op dat moment leeg zijnde gebouwen. Een muloschool aan de Keizersgracht, de Chicago bioscoop, de RK Volksbond, een drukkerij (Drukkerij Vrijdag/ Eindhovense Drukkerij en Etikettenfabriek) aan de Gagelstraat en in de Abonné sigarenfabriek aan de Parallelweg langs het spoor vlak bij het centrum (de beide laatste gebouwen stonden in Strijp) . Al die branden ontstaan tussen 1 en 2 uur ’s nachts. Overal ontdekt de brandweer meerdere brandhaarden, tot zelfs vijf brandhaarden in één gebouw, als we de krant mogen geloven. 
Daardoor ontstaat natuurlijk weer flinke onrust in de stad. En ook nu weer worden verschillende gebouwen ’s nachts bewaakt, niet alleen door burgers, maar ook de politie is op haar hoede.
Die politie weet natuurlijk meer dan de verslaggevers in de kranten en de gewone burgers. Men ontdekt dat de wijze van brandstichting overal zowat hetzelfde lijkt te zijn. Men brengt in kaart dat ze allemaal in de tweede helft van de week plaatsvinden. Men herinnert zich nog levendig de golf van brandstichtingen in 1931. En men weet dat de veroordeelde brandstichters van toen inmiddels op vrije voeten zijn. 
En die worden goed in de gaten gehouden. Na enkele branden wordt een van beiden, de uit het voorgaande bekende Van der Looy, al eens uitgenodigd voor een verhoor. Deze ontkent natuurlijk en de politie heeft nog niet voldoende bewijs om hem vast te houden. Dan blijft er maar één ding over: op heterdaad betrappen!

Hoofdinspecteur van politie Ten Haaf en de rechercheurs Van den Broek en Baken komt uiteindelijk de eer toe, P. van der Looy inderdaad in te rekenen.  

De Tijd, 31 mei 1936:

“Plotseling kwam de verwachte aangefietst uit de richting van Valkenswaard en ging naar de schuur van de genoemde boerderij. Nog voor de politie, die zich verdekt in een sloot had opgesteld, te voorschijn kon komen, was een helle gloed te zien en sloegen de vlammen uit de schuur, waar een hoeveelheid stroo lag opgestapeld. De dader werd achternagezet en het mocht de politie gelukken hem te grijpen, terwijl zij ook met een snelbluschapparaat het vuur kon dooven.
 Door den eigenaar van de boerderij, den heer Smits van Oyen, die in de nabijheid woont, werden de politiemannen met hun arrestant naar het hoofdbureau overgebracht.” 

Mooi werk van de politie, zou je dus zeggen. Maar als je dan het boek van Frans Dekkers “Eindhoven 1933-1945 – Kroniek van Nederlands Lichtstad in de schaduw van het Derde Rijk” erbij neemt, dan komt er op bladzijde 100 toch wel iets heel verrassends te voorschijn. Dit stukje gaat over het feit, dat door het werk van de pyromaan het toenmalige hoofd van de Eindhovense politie bij de burgerbevolking en de pers behoorlijk onder vuur komt te liggen.


“Geelen (die ook minder frisse karwijtjes opknapte voor voornoemde Philips politieman Dijs – PS) vertelt ons een verhaal dat sterk aan de beruchte Rijksdagbrand van 1933 in Berlijn doet denken: “Toen heeft Brinkman (het Eindhovense hoofd van de gemeentepolitie - PS) om zijn gezicht te redden een brandstichting in scène gezet. Een zekere Van der Looy werd daarvoor geslachtofferd. Dat heeft Dijs mij zelf verteld. Van der Looy had al eens eerder voor brandstichting gezeten, en ook de Eindhovense gemeentepolitie dacht aan hem. Maar het bewijs kon niet worden geleverd. Toen heeft Brinkman opdracht gegeven aan een van zijn agenten, Van der Wiel, om met hem aan te pappen en hem dronken te voeren. In een politieauto hebben ze Van der Looy toen naar de herenboerderij van Smits van Ooyen aan de Aalsterweg gereden. Op zijn terrein stonden enkele hooischuren. Ze gaven Van der Looy een doosje lucifers en een kan petroleum. Enkele agenten die niet van deze opzet op de hoogte waren, werden naar de locatie gedirigeerd. Met als gevolg dat ze Van der Looy “op heterdaad betrapten”. Brinkman had een bliksemafleider, en het gekke was dat de branden na zijn arrestatie ook ophielden.” Einde citaat.



En de brandstichtingen … die hielden ook niet ineens allemaal op. Maar dat men de dader van heel wat brandstichtingen opnieuw te pakken had, is zeer waarschijnlijk. Daarbij blijft de vraag of het doel de middelen heiligt. Maar er gebeur(d)en wel meer zaken die het daglicht niet konden (kunnen) verdragen.  


 De Pyromaan en zijn prooi
Eindhovens branden nog niet ten einde.
Complot van brandstichters aan 't werk?
Provinciale Geldersche en Nijmeegsche courant
03-06-1936
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMRANM02:000035529:mpeg21:p009

Bewijzen

Goed geregeld en een waterdichte zaak, zou men dus zeggen. Maar wanneer men de krantenberichten leest, bleek dit toch niet allemaal zo eenvoudig te bewijzen te zijn.
 Immers: de agenten hebben de verdachte zien aankomen, ze hebben hem de schuur zien binnengaan, daarna zag men vlammen, de verdachte liep weg en vluchtte vervolgens, achternagezeten door de politiemensen. Bij het fouilleren werden twee dozen lucifers op hem aangetroffen. En men kent hem nog van eerdere brandstichtingen. Maar het aansteken van de brand zelf (dat zou echt heterdaad geweest zijn) heeft men niet gezien. Dat valt dus moeilijk te bewijzen. 
In 1934 wordt zelfs in een andere brandstichtingzaak (met alweer een Eindhovense verdachte) het zogenaamde Arrest Eindhovense Brandstichting (HR 19 maart 1934, NJ 1934/450) uitgesproken. Zoekt u voor die geschiedenis maar eens op “het Eindhovense brandstichtingscomplot”. De verdachte werd poging tot brandstichting ten laste gelegd, omdat hij wel alles in gereedheid had gebracht, maar de daad op zich niet uitvoerde, omdat hij net voor hij de zaak in de hens wilde steken, mensen tegenkwam. Daarin concludeerde de Hoge Raad in dit geval tot ontslag van alle rechtsvervolging, omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat H. (de verdachte) brandstichting zou hebben gepleegd “indien hij niet de personen bij het muurtje was tegengekomen”. De vraag was dus of een – om welke reden dan ook - niet voltooide poging tot brandstichting ook strafbaar was. Overigens is dit in het zogenaamde Cito-Arrest inmiddels weer grotendeels ongedaan gemaakt, maar dan zijn we al wel in 1978 aanbeland. 
Niettemin, in december 1936 zal P. van der Looy (ook in deze tijd wordt zijn naam verschillend gespeld in de dag- en weekbladen) in hoger beroep tot zes jaar veroordeeld worden. eerste aanleg was 12 jaar geëist, maar het vonnis luidde 6 jaar. Zowel de verdachte als de officier van justitie waren tegen dit vonnis in beroep gegaan. Voor wat betreft de verdachte was dat, omdat hij beweerde niet alle branden, waarvan hij werd verdacht en waarvoor hij werd veroordeeld, te hebben gesticht. De eis van advocaat-generaal Massink is in hoger beroep 8 jaar. Hij geeft dan ook heel duidelijk aan, dat deze man een groot gevaar vormt voor de maatschappij. 

Maar ook als deze brandstichter P. van der Looy achter de tralies zit, komen er nog enkele branden voor, vooral in Strijp. Een daarvan is aangestoken door de bewoner van het pand, die vrij snel doorslaat. Is “pyromanie” dan toch besmettelijk? 
Opmerkelijk is een berichtje in De Maasbode van 16 maart 1937, dat we u niet willen onthouden. Daarin wordt gewag gemaakt van het zilveren jubileum van de Eindhovense brandweerman Penson. Aan het eind van dat artikeltje lezen we: “Er waren tal van bloemstukken en telegrammen ingekomen, o.m. van den te Eindhoven befaamde brandstichter P. van der Looy , die in Den Bosch gevangen zit en die telegrafeerde: ‘Ben tot mijn spijt verhinderd. Vele hartelijke gelukwensen.’ Dat dit telegram werkte als een klap op den vuurpijl, kan men begrijpen.”    

De St.-Trudokerk in Strijp

De St.-Trudokerk in Strijp

De bewogen geschiedenis van de parochie Strijp en daaraan verbonden die van de parochiekerk St.-Trudo zijn op een alleraardigste en zeer grondige manier beschreven door Gerard Strijards in zijn boek: “Stripe kerk, niet van gisteren. Zeshonderd jaar kerkgeschiedenis.” Voor het schrijven van dit artikel is van dat boek ook dankbaar gebruik gemaakt. Het leest prettig, het is grondig en de literatuurverwijzingen maken dat alles wat er beweerd wordt gestaafd kan worden. 
In dat boek lezen we, dat de St.-Trudokerk, waarover het hier gaat, de negentiende-eeuwse opvolger (uit 1887) is van de oorspronkelijke parochiekerk, die ook aan de heilige Trudo gewijd was.
 

Die kerk kreeg op 1 januari 1924 een nieuwe pastoor, Franciscus (Frans) Werners (1878 -1970). Als men de verhalen mag geloven was die pastoor een bijzonder eigengereid man. Maar blijkbaar was er iets voorgevallen, want de bisschop plaatste hem als aalmoezenier over naar Nijmegen. En dat was beslist geen promotie. Maar Werners begint dus in 1924 als parochieherder in de Trudoparochie (die overigens niet zo heel hoog aangeschreven stond) en al meteen zit hem het een en ander dwars. 
Vooral dat kerkgebouw. Dat voldoet niet aan zijn smaak.
 Wat hem het meest steekt: die kerk heeft niet eens een toren en zelfs de kerken in de kleinste dorpen van Brabant hebben er wel een.

 Vlak bij de kerk staat weliswaar een luidhuis, een laag gebouwtje waarin de klokken hangen, maar dat vindt onze pastoor maar niets. Inmiddels moet er nog altijd veel geld gestoken worden in de kerk, want die is nog altijd niet afbetaald. In 1925 wordt een deel van de parochie afgescheiden en ondergebracht in een nieuwe parochie, die van St.Theresia. De pastoor raakt dus heel wat parochianen kwijt, waaronder enkele welgestelde boeren, die niet te beroerd waren de kerk zo nu en dan eens wat toe te stoppen. Inmiddels breekt dan ook nog tot overmaat van ramp de grote economische crisis uit, waardoor veel mensen werkeloos worden, daaronder ook weer heel wat parochianen van Werners en die moeten toch gezamenlijk de kosten voor de parochie (en dus ook voor de kerk) opbrengen. Het zit hem dus niet mee. Begin jaren ’30 wordt de kerk toch enigszins vergroot. Er komen o.a. een kooromgang en twee kapellen, een aan de noord- en de andere aan de zuidkant van het gebouw. Maar die toren…die komt er maar niet, dit tot groot ongenoegen van pastoor Werners.


1936 De kerk brandt!

Een maand tevoren had de krant nog geschreven over een “brandstichtings-epidemie” naar aanleiding van de grote hoeveelheid brandstichtingen in de stad, maar de Eindhovense pyromaan kreeg deze brand van 29 juni 1936 toch niet in zijn schoenen geschoven. 
De pastoor Franciscus Werners zal later zijn memoires schrijven. Hij beschrijft daarin ook in een afzonderlijk hoofdstuk de brand in zijn kerk.

“Op de feestdag van die glorieuze martelaren (Heilige Petrus en Paulus – PS) had de pastoor om negen uur de H. Mis opgedragen. De zangers en de organist waren naar huis gegaan en het eeuwenoude Anna klokje boven de vliering van de kerk had voor de zoveelste maal zijn tien slagen gegeven. Even over half elf, toen de pastoor bezig was met het maken van de tekst voor het gedachtenisprentje voor Fried de Brouwer, stormt een man de pastorie binnen, hard roepend; “Brand in de kerk” en meteen loopt hij weg. 
De pastoor holt hem achterna de kerk in!
Meters hoog slaan reeds de vlammen uit de orgelkast.
 De pastoor naar de telefoon; 2-2-2-2!
 Hallo: uitslaande brand…Trudokerk Strijp.
 Gelukkig was er één van de kapelaans thuis.
 Op die dag heeft de pastoor commando’s gegeven!
 Gij kapelaan zorgt voor het altaar en tabernakel en voor inhoud van de sacristie…alles naar de pastorie brengen…naar binnen in die zaal!
 Er komen mensen aangelopen om te helpen.
 Pakt aan mannen, alles de kerk uit…stoelen naar St.Trudoplein en naar de pastorietuin.
 In de verte sirenes en bellen van brandweerwagens!”

Wanneer we de brand in de St.-Trudokerk door de ogen van toeschouwers beschrijven, maken we weer gebruik van krantenberichten. In de bloemrijke taal van die jaren leest het allemaal, alsof je er zelf bij bent. Hier en daar vindt men een zinnetje, dat in het licht van wat hiervoor en hierna geschreven wordt, toch wel opmerkelijk is.

Volgens het Leeuwarder Nieuwsblad (een dusdanig grote kerkbrand is immers nationaal nieuws) schrijft dat een voorbijganger, die naar de klok keek om te zien hoe laat het was, de brand ontdekte. “De vlammen sloegen uit de ramen op het koor.” De pastoor werd gewaarschuwd. Die had net even tevoren de kerk verlaten, volgens diezelfde krant, nadat de heilige mis beëindigd was. Het orgel speelde toen nog. En dat geeft dan aanleiding om te veronderstellen, dat de brand “door kortsluiting of door vlamvatten van de orgelmotor is ontstaan”. 
“Voorbijgangers namen dadelijk deel aan het reddingswerk. Voor zoover mogelijk werden alle losse meubelen naar buiten gedragen. De meeste schilderijen, enkele houten beelden en alle kruiswegstaties konden eveneens worden gered. Uit de sacristie en van de altaren werden de cibories, de monstrans en de andere heilige vaten in veiligheid gebracht. Ook de reliquiën wist men te redden.” Even verder schrijft de journalist, dat het spitse kerktorentje (een kleine klokkenstoel met een angelusklokje stond op het dak) instortte en “Mr. Fens, de brandweercommandant, en zes brandweerlieden met straalpijp en al in de hand moesten zoo hard loopen als zij konden om niet verpletterd te worden.”

Het verslag in de Eindhovensche en Meijerijsche Courant (Roomser dan de paus zelf) van maandag 29 juni:
 “Toen wij ongeveer tegelijkertijd met de brandweer ter plaatse kwamen, brandde de kerk reeds volop. Het geheele dak stortte breede zeeën zwarte en witte rook naar beneden. Het zijaanzicht van de kerk, gelegen aan de Strijpschestraat, was door den rook geheel verduisterd. Van de dakcontouren was zoowat niets meer te ontdekken. Boven de rook prijkte alleen zichtbaar het kleine torentje, waarin de Angelusklok hangt.
Rondom de brandende kerk bevond zich alles in rep en roer. Duizenden mensen sloegen van alle kanten de rookkolommen gade. Van alle zijden kwamen er nog toestroomen.”

Blijkbaar mochten journalisten in die tijd nog met de brandweer naar binnen. Want even verder verklaart de schrijver van dit verslag:

“Van de sacristi zijn we de kerk binnengegaan. Het geheele gebouw zat tot aan de gewelven reeds vol rook. Het zag er binnen donker en onheilspellend uit. Op den achtergrond stond een rossige felle en breede gloed. Het koor bevond zich geheel in vuur en vlammen. De zij-beuken hingen eveneens vol rook. Door de openstaande deuren tochtte het geweldig. De lucht werd van buiten af naar de op alle plaatsen brandende gewelven getrokken. De deuren bleven door den geweldigen tocht niet openstaan.”
De brand wordt bestreden door de brandweerkorpsen van Eindhoven (toen nog vrijwillig) en de (eveneens toen nog vrijwillige) bedrijfsbrandweer van Philips. Beide zetten een motorspuit (bedoeld wordt waarschijnlijk een autospuit) en een ladderwagen in. In totaal wordt afgelegd met acht stralen. De gemeentelijke brandweer zet aan de zijde van de hoofdingang vier stralen in, waarvan één over de “Magirusladder”. Philips gaat aan het werk aan de zijde van de pastorie met twee motorspuiten en drie stralen, waarvan er eveneens één via de ladderwagen van bovenaf werd ingezet. Aan die kant wordt ook door de gemeentelijke brandweer nog één straal ingezet. Volgens het verslag stond de gemeentebrandweer onder de leiding van Mr. Fens, de commandant, de ondercommandant, de heer Van Gestel en brandweercommandant (bedoeld wordt bevelvoerder) ir. Budde. De Philipsbrandweer stond onder leiding van ir. Bouten en de “commandanten” (aannemelijk is dat dit de bevelvoerders waren van de secties op de Philipscomplexen Emmasingel en Strijp) Arends en Boks. 



Als de brand is geblust, blijkt dat men het kerkgebouw zelf voor het grootste deel heeft kunnen behouden. Het gehele dak is echter verloren gegaan en ook veel glas-in-loodramen hebben de brand niet “overleefd”. Niet onbelangrijk is de vermelding dat de “muur aan de hoofdingang gevaarlijk hangt”. Daar immers moest – althans volgens pastoor Werners - een toren komen!
 En ook niet onbelangrijk is de vermelding in de krant, dat de kerk voor 4 1/1 ton verzekerd was. Bij de bouw – 49 jaar voor de brand - had de kerk zo ongeveer 90.000 gulden gekost.
 ’s Avonds breekt er dan nog een zwaar onweer uit, alsof men ook vanuit de hemel nog wil nablussen.    


Overigens komen in de krantenberichten heel wat opmerkingen voor, die ons voor vraagtekens plaatsen. 
Onder meer betreffen die het tijdstip van de ontdekking van de brand. 
Ene Jaq Kruysen zegt in de krant de brand ontdekt te hebben, toen hij keek hoe laat het was. Dat moest zo rond half elf geweest zijn. Kapelaan Goette zou rond half elf gewaarschuwd zijn (door die meneer Kruysen?). “Er was rook in de kerk geconstateerd en de kapelaan ging een kijkje nemen”. Vanuit een Philipsfabriek werd ook toevallig rook waargenomen, even na half elf. 
 Maar diezelfde krant vermeldt wel, dat de brandweerauto’s (van de gemeentebrandweer) om 11 uur uit de kazerne raasden. Hoe laat heeft men dan de brand gemeld? 
Een artikel in de “Provinciale Noord-Brabantsche en ‘s – Hertogenbossche Courant” van 29 juni 1936 geeft weer een andere lezing. “De parochiegeestelijken snelden onmiddellijk toe en trachtten met behulp van de buren het vuur te dooven.” 
Bij aankomst van de brandweer waren zo’n 200 (volgens andere kranten 300) mensen bezig de kerk leeg te halen. Die mensen waren dus wel erg snel gemobiliseerd. 
De “heilige vaten” werden in houten kisten (!) naar buiten gebracht. Die misbenodigdheden lagen –volgens dezelfde krant - in een brandkast in de sacristie. Waar had men zo gauw die houten kisten vandaan gehaald? Want die houten kisten zullen toch niet in een brandkast gestaan hebben…

De verklaring die de pastoor zelf geeft in zijn memoires komen ook niet overeen met wat men elders leest. Hij spreekt over een man (klinkt als: “onbekende”) die de werkkamer van de pastoor komt binnengestormd. Hij schrijft ook, dat hij één van de kapelaans mee neemt naar het brandende kerkgebouw. Maar de krantenberichten geven toch echt aan, dat een kapelaan gewaarschuwd werd door een wel met naam bekend persoon en dat die kapelaan vervolgens de kerk inging. 
Overigens is dit een van de weinige keren, dat in “Dertig jaar pastoor” een kapelaan genoemd wordt, en dan nog niet eens met naam. Blijkbaar had Werners meer oog – en bewondering - voor zijn eigen heldendaden als herder, dan voor die van zijn assistenten, zijn “herdershonden”. 
De persoon van Werners zelf vormt in feite ook een aanwijzing. Deze blijkt toch niet geheel gespeend te zijn geweest van het besef van de eigen belangrijkheid. Werners heeft na de brand de klokken (waaronder een uit de vijftiende eeuw) die bij de brand niets geleden hadden en die strikt genomen niet eens zijn, noch het eigendom van de parochie waren, laten omsmelten en er klokken voor zijn nieuwe toren van laten gieten. Een van die klokken draagt de naam…Franciscus Werners. Bescheidenheid siert de mens! 


Burgermeester A. Verdijk, de wethouders P.P.J.A. Van der Putt , A. J. Verhagen en F.K. Buskens, de commissaris Brinkman van de politie, de opperwachtmeester van de Marechaussee en enkele andere hooggeplaatste heren bespreken de brand. 


De oorzaak "geen kortsluiting"


In de Zuid-Willemsvaart van 2 juli 1936 komt  Ir. Oosterholt, directeur der gemeentebedrijven te Eindhoven aan het woord. 

“Naar aanleiding van het bericht, dat de brand van de St. Trudokerk zeer waarschijnlijk aan kortsluiting te zou zijn, heb ik de eer het volgende op te merken:

We hebben hier weer voor de zoveelste keer te maken met het bekende praatje, dat altijd gelanceerd wordt, wanneer geen andere oorzaak bekend is. Wanneer men zich evenwel de moeite zou getroosten eens terdege te informeeren, dan zou men in verreweg de meeste gevallen tot de conclusie komen, dat kortsluiting de oorzaak niet geweest kan zijn, en in nagenoeg alle overige gevallen zeer onwaarschijnlijk geacht moet worden.
De beveiliging der installaties is tegenwoordig wel zoo doelmatig, dat een eventuele kortsluiting onmiddellijk wordt uitgeschakeld vóór dat er ook maar eenige kans van brandstichting kan hebben bestaan. (Zware krachtleidingen in fabrieken, waar met zekeringen wordt geknoeid, misschien uitgesloten). Bij den brand in de kerk is geen enkele aanwijzing te vinden dat kortsluiting de oorzaak zou zijn geweest. De zekeringen van de electrische leidingen naar het zangkoor, waren, ten gevolge van het door den brand veroorzaakte defect, alle doorgeslagen, een bewijs dus, dat de beveiliging in orde was. Verhitting als gevolg van een defect in den motor van het orgel is uitgesloten, omdat deze tot het laatste goed heeft gefunctionneerd, en direct na gebruik door den organist is uitgeschakeld. Bovendien bevond zich tusschen motor en orgel een steenen muur. Zou het niet veel meer voor de hand gelegen hebben eens te denken aan onvoorzichtigheid met eindjes brandende sigaret, die bij het binnenkomen op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen worden gedeponeerd? “

Dit bericht komt in meer kranten voor. Op diverse plaatsen wordt het dan afgesloten met ; “Zou men ook niet kunnen denken aan brandstichting, wijl het heele kerkdak in de kortste keeren in brand stond? vraagt M.C.”. Ook de kop “Brandstichting in Sint Trudokerk?” (met een vraagteken, dat dan weer wel) komt regelmatig terug in de kranten van begin juli 1936.



De Strijpse Sint-Trudokerk brand was in geheel Eindhoven te zien. 
Kerktorens en Philipslichttoren waren de hoogste gebouwen in Eindhoven

Brandstichting?

Op de verdwenen site “Eindhoven-in-Beeld.nl” stond een aardig relaas; het is geschreven door de jurist prof. dr. mr. Gerard Strijards. Omdat hierin alles eigenlijk verteld wordt en de onderlinge samenhang met de gebeurtenissen die elders plaatsvonden zo heerlijk helder gemaakt worden, geven we deze tekst (d.d. 2 juni 2016) hier integraal weer. 

“De bedrijfsbrandweer van Philips, die als eerste op de plaats des onheils arriveerde, rook aanstonds onraad door de uitbreiding van de vlammenverschijnselen binnen korte tijd en nog wel door de dakgewelven. Werners had de kapelaans, gesecundeerd door koster en koorzangers al aan het werk, die juist de stukken uit de kerk droegen, die Werners dierbaar waren. Dat wees op voorbereidingshandelingen, vooral omdat de herbouwwaarde van de brandverzekering onder de R.K. Onderlinge Waarborgmaatschappij tegen brand- en stormschade "Sint Donatus" zeer recentelijk aanmerkelijk te hoog geschat was, maar niettemin toch in de dekking aanvaard was. 
De bedrijfsbrandweer was echter geen opsporingsbevoegdheden buiten het Philips-concern gegund en was ook niet erkend als strafvorderlijke opsporingsbrigade. De genoemde commandant deelde zijn vermoedens mee aan de veel te laat arriverende gemeentelijke brandweerdienst. Daarvan hadden de commandant en brandmeesters wel de erkenning van bijzondere opsporingsambtenaren (BOA's), maar niet die van Hulp-Officier van Justitie. Zij konden mitsdien niet overgaan tot huiszoeking ter inbeslagneming in pastorie, kosterswoning en sacristie bij betrapping op heterdaad, al deelden zij de vermoedens van de Philipsbedrijfsbrandweer. Zij stelden Werners van hun verdenking, helaas, op de hoogte – het gevolg was dat Werners niet meer meewerkte - en alarmeerden de inspectie der gemeentepolitie Eindhoven, waarvan de officieren wel de status hadden van Hulp-Officier. Deze zond een inspecteur… Werners besefte dat hij in staat van verdenking verkeerde. Hij voelde nu meer nattigheid dan het bluswater dat de beide brandweerdiensten te weeg brachten op locatie en verwittigde het Bisdom van de vermoedens van de politie, telefonisch. De bisschop was er niet. Dat was destijds Arnoldus Diepen, die al eerder had moeten ervaren dat zijn clerus wel eens strafrechtelijk over de schreef ging. Dat was in 1936 de prelaat navrant gebleken, toen twee Ossche geestelijken verdacht werden van bestendige ontucht met minderjarigen, één pastoor had zich aan misdienertjes vergrepen, een ander aan meisjes werkzaam bij het vleesconservenbedrijf Swanenberg, een joodse onderneming. Uiteraard kwam dat -- deze voortgezette ontucht met minderjarigen die aan het gezag van de ontuchtige is toevertrouwd of overgelaten krachtens bediening of ambt -- destijds, zoals nu, helaas, meer voor. Niet alleen in Roomse kring. Maar de Nederlandsche Nationaal Socialistische Beweging (NSB) van Ir. Mussert had een grote kringafdeling in Oss. Deze had zich meermalen vilein en critisch over deze twee kerkelijke bedienaars uitgelaten, omdat hun merkwaardige relatie met Swanenberg de nationaal-socialisten uit oogpunt van rassenpolitiek zonder meer als ongepast voorkwam. Bovendien waren enkele wachtmeesters van de Marechausseebrigade de NSB-beginselen toegedaan. Hun Opperwachtmeester Mintjes zou later tot de NSB officieel toetreden. De voorzitter van het episcopaat Joannes de Jong had de beginselen van het nationaalsocialisme per kanselbrief laten veroordelen en ook de aanval op Hitler en de zijnen geopend. De Jong was er vroeg bij: een meerderheid der Nederlanders vond de NSB best interessant en zag niet goed in, waarom de rassenleer van Hitler onverenigbaar was met de orthodoxie van het Rooms Katholicisme. Christus was een Ariër en de Joden hadden hem vermoord- menige moraaltheoloog op de seminaria leerde dat.

Diepen zelf vond dat ook. Maar hij kon toch niet hebben, dat in zijn diocees twee pastoors vervolgd zouden worden: het aanzien en het prestige van de kerk lieten dat niet toe. Hij belde daarom de zeer katholieke procureur-generaal Baron Speyaert van Woerden, een geducht en steil man. Dat deed de bisschop anders nooit: hij belde nooit zelf en nooit met ambtenaren, daar had hij een kanselarij-geestelijke voor. In dit geval meende hij Speyaert een verklaring te moeten ontfutselen dat de vervolgingen ten laste van zijn pastoors gestaakt zou worden. Het Paleis van Justitie had nog geen automatische telefooncentrale. De parketwachter/-bode keek er bepaald van op toen de deftige, slepende en diepe stem van Diepen hem gelastte dóór te verbinden met Speyaert, daarbij niet verhelend dat hier de kerkvorst sprak. De verbinding met Speyaert kwam tot stand. De bode bleef meeluisteren (wat niet mocht) en hoorde dus hoe de hoog geplaatsten elkaar de staking der vervolging beloofden, waarbij Speyaert wel zei, dat hij daarvoor dekking moest hebben van de Minister van Justitie, de Rooms Katholieke Goseling, die net aangetreden was. Dat was in het vierde kabinet-Colijn. Kort daarop werd aan de hele Marechausseebrigade de strafvorderlijke bevoegdheid tot opsporingsdaden ontnomen bij ministeriële beschikking. De brigade werd zelfs later in fasen ontbonden en de meest weerbarstige wachtmeesters werden overgeplaatst op kazernes elders, waar voortzetting van hun carrière uitgesloten leek. Dat baarde opzien, landelijk, want deze onderofficieren waren kort tevoren door Wilhelmina persoonlijk koninklijk onderscheiden wegens hun bijzondere verdiensten bij de bestrijding van de criminaliteit van Oss. De substituut-officier van justitie die het gerechtelijk vooronderzoek had geleid kon ook zijn biezen pakken. Diepen deed de instructie uitgaan, dat, wanneer een geestelijke merkte dat hij verdacht werd van enig strafbaar feit, hij geen advocaat moest zoeken - dat zou altijd en per definitie opzien baren - maar dat hij de bisschoppelijke curie onmiddellijk moest bellen. Niets mocht schriftelijk gerelateerd worden. De bisschop zou zelf de zaken aan zich trekken. Ook al stond Werners met Diepen op gespannen voet deze aanwijzing volgde hij meteen op, omdat hij zijn clericale positie duchtte.”


Bij de herbouw van de kerk werd in een van de zuilen een klein eerbetoon aangebracht voor de brandweerlieden, die zich zo hadden ongespannen.

De gemeentelijke politie had wel eerbied voor een pastoor, maar meende toch, dat Werners verhoord moest worden. Diens beroep op Den Bosch en diens betoog dat de Procureur-Generaal Speyaert eerst moest toestemmen, omdat hij als pastoor binnen zijn parochie een immuniteitsstatus zou hebben, die moest leiden tot schorsing der vervolging ingevolge artikel 17 van het Wetboek van Strafvordering, maakte echter toch indruk. Niet zozeer omdat de verdenking lichtvaardig was, maar omdat de politieambtenaren zeer goed wisten hoe ellendig het met hun collegae van de Marechaussee in 1936 was afgelopen. Een inspecteur, nietwaar, wil toch hoofdinspecteur worden en liefst commissaris. De inspecteur deed dus geen huiszoeking op genoemde plaatsen en zocht dekking van hogerhand. Goseling was op dat moment voorwerp van een commissieonderzoek in de Tweede Kamer, omdat de volksvertegenwoordiging de motivering, die de bewindsman had gegeven niet toereikend vond voor diens grove ingrijpen in het lopend opsporingsonderzoek. Daarbij gaf het Wetboek van Strafvordering geen rechtsgrond voor het ontnemen van bevoegdheden aan een hele brigade. Wel voor het ontnemen van gespecificeerde bevoegdheden aan één opsporingsambtenaar en dus aan één wachtmeester van de KMar, maar niet voor een collectieve ontneming aan een "brigade". Dat wees er al op, dat er iets stonk. Inmiddels bleven de wachtmeesters geschorst. Ze waren wel in beroep bij de ambtenarenrechter, maar die was ook erg bang voor een mogelijk ernstig politiek conflict. Daarin zou deze rechter, de Centrale Raad van Beroep, dan betrokken zijn. 
De commissaris van Gemeentepolitie te Eindhoven wist bliksemsgoed wat hem boven het hoofd zou kunnen hangen. Ambtelijk liep hij risico's. Een kamermeerderheid had bezwaren gekregen tegen Speyaert en Goseling. Het parlementair onderzoek had in ieder geval aangetoond, dat de Bisschop Diepen contact had gehad met Speyaert. Kennelijk is die bode, die de telefoon aannam in zijn loge aan de Bossche Spinhuiswal daar gehoord. De onderzoekscommissie kon melden dat vergissing uitgesloten was: de bode was vroom kerkganger en had Diepen kort tevoren met zijn merkwaardige, bezwerende en gepreoccupeerde stem de vastenbrief horen voorlezen en toelichten in de kathedraal, waarbij de prelaat vooral had uitgeweid in zijn homilie over de seksuele vrijpostigheden in tap- en danslocaliteiten. En hij kon woordelijk opgeven wat Diepen en Speyaert hadden bedisseld. Daarmee was Goseling echter nog niet weg als Minister. Daar was een motie van wantrouwen voor nodig. En zou die aangenomen zijn, dan zou het kabinet vallen. Een kabinetscrisis was het laatste waarop Nederland op dat moment zat te wachten: Hitlers Duitsland was dreigend in opkomst, militair bezien. Het had net het Rijnland bezet. Blééf Goseling, dan bleef Speyaert ook. Dan kon een Eindhovense commissaris die een vervolging tegen een pastoor organiseerde, beter meteen aan het gas gaan liggen. De verdenking tegen Werners was redelijk, zwaarwegend en kon met feiten verder onderbouwd worden. Ook dat wordt u op E-I-B uit de doeken gedaan. Van een schorsingsgrond tot vervolging ingevolge artikel 17 van het Wetboek van Strafvordering was geen sprake. De commissie uit de Tweede Kamer rapporteerde, dat de Minister Goseling zijn ingrijpen in de Ossche zaak niet kon rechtvaardigen. Dat is nog geen motie van wantrouwen. Die was echter in de maak op voordracht van de NSB, Rost van Tonningen, een bekwaam jurist. Voordat deze in stemming kon komen, verzocht de Minister van Financiën, de protestant De Wilde, ineens ontslag omdat hij geen dekking kon geven aan de kabinetsplannen ter uitvoering van de werkloosheidspolitiek van Romme. Het Kabinet ging dus ineens heen. Dat gaf Werners lucht. Toch had een kamermeerderheid al opgegeven dat dit reden was voor een parlementaire enquête in deze zaken. Dat was destijds een ongehoord middel. Dat kon alleen als men dacht dat de waarheid niet van de regering te verkrijgen was. Kennelijk was dat het oordeel van de Tweede Kamer.

In het daarop volgende kabinet-De Geer had de rabiate protestant Gerbrandy justitie. De oppositie vroeg onmiddellijk, hoe het nu toch zat met de vervolging van de geestelijkheid in het diocees Den Bosch. Categorisch: wat deed de minister aan het onderzoek in de rechtsaanhangige zaken?

Weer was Rost de interpellant. Deze keer kwam het tot handgemeen. De interpellant werd uit de kamer verwijderd. Gerbrandy gaf nu prioriteit aan de vervolging van NSB-ers wegens staatsgevaarlijke activiteiten, waarbij de staatsonzijdigheid werd bedreigd. De zaken, waarop gedoeld werd, bleven, naar hij verzekerde, rechtsaanhangig. Maar hij had andere katten te geselen. Van hem, als protestant, kon niemand verwachten dat hij katholieken die de strafwet overtraden zou immuniseren. Hij gaf echter ook de Officier van Justitie te Den Bosch geen aanwijzing om deze zaken nu met kracht voort te zetten. Hij gaf zijn katholieke Secretaris-Generaal Van Angeren echter opdracht Speyaert eens nader aan de tand te voelen over de vreemde gang van zaken te Den Bosch en Eindhoven. Dat was weer raar: weer een katholiek die een katholiek moest bevragen. En dan nog wel een katholiek die bevriend was met Speyaert. De zaak bleef slepende, omdat Speyaert betoogde dat Van Angeren noch de Minister bevoegd was om een Procureur-Generaal aanwijzingen te geven wat deze als Directeur van Politie moest doen. Zulk een ambtsdrager was ingevolge de Wet op de Regterlijke Organisatie en de Zamenstelling van Justitie in die hoedanigheid niet ondergeschikt aan Justitie. De zaak bleef slepend. De Kamer concentreerde zich nu teveel op mobilisatievraagstukken en vooral de toepassing van de Oorlogswet-Nederland 1899. Op 11 mei 1940 besloten De Geer en Gerbrandy naar Londen te gaan. Op 13 mei scheepten de ministers zich in en daarna werd Van Angeren Minister van Justitie. Speyaert was de eerste die Van Angeren, derhalve merkwaardigerwijze niet Gerbrandy, op 10 mei in alle vroegte waarschuwde dat de Duitsers Maastricht waren binnengedrongen en vroeg hem, telefonisch, om "de dossiers", u weet wel, te mogen vernietigen. GSIII luisterde dat af. Na de oorlog bleek alle bewijsmateriaal verdwenen in deze zaken "tegen de geestelijkheid".


Dat is het verhaal. We kunnen dus stellen dat er een redelijke verdenking bestond in de zin van dat Wetboek en dat het een misdrijf betrof waarop altijd voorlopige hechtenis werd toegepast ingevolge de toenmalige artikelen 53-67 van dat Wetboek, zodat ook huiszoeking ter inbeslagnemingzou zijn toegestaan, tevoren. In Eindhoven berichtten NSB-gerelateerde bladen zoals "De Opstand" uiteraard veel over de verdenking, maar de katholieke "De Meierijsche Courant" natuurlijk niet.” Einde citaat.


In een uitgebreid telefoongesprek met Prof. dr. mr. Gerard Strijards (2 juli 2019) vroeg ik hem om een toelichting op zijn bewering, dat de St.-Trudokerk mogelijk zou zijn aangestoken door (of wellicht namens) de toenmalige pastoor Werners.
 Strijards gaf in dat telefoongesprek aan, dat al de eerst aanwezige bevelvoerder (“commandant”) van de gemeentebrandweer vraagtekens zette bij de verklaringen van de pastoor. Ook de bevelvoerder van de Philipsbrandweer had blijkbaar direct zijn vraagtekens. 

In die dagen was het zo, dat – wanneer je een pastoor wilde spreken – je als het ware een audiëntie kreeg. Je belde aan bij de voordeur van de pastorie, je werd door de huishoudster te woord gestaan en al dan niet binnengelaten. Was je eenmaal binnen, dan mocht je in een spreekkamer plaatsnemen, tot de pastoor het tijd vond om je te woord te staan. En dan had je geluk, want meestal moest je het met een kapelaan doen, tenzij je om een dienst kwam vragen die veel geld opleverde voor de parochiekas. 
Dat wetende, hoe is het dan mogelijk, dat de pastoor aangaf dat er een man – die hij naar eigen zeggen niet kende – plotseling zijn privévertrek binnenstormt al roepende, dat er brand zou zijn. Want de pastoor gaf duidelijk aan – ook in zijn memoires - dat hij in zijn werkkamer bezig was een bidprentje samen te stellen voor een overleden parochiaan. Zou die binnenstormende man de achterdeur hebben genomen – dat was gebruikelijk als je iets kwam afgeven bij de pastorie - ook dan had hij moeten aanbellen en ook dan was deze man toch niet verder gekomen dan de keuken, want de huishoudster van de pastoor was “ok ginne gemekkelijke!”. 


Tenslotte

Als u dit hele artikel gelezen heeft, dan weet u nu waarom de titel hiervan zo vreemd gespeld werd. Strijp is vele malen, ook voor de jaren ’30 van de vorige eeuw en eveneens vaak daarna , door branden getroffen. Wij beperkten ons slechts tot één decennium. Maar zelfs dan kan men toch concluderen, dat Strijp toen behoorlijk geblakerd moet zijn geweest. En sommige bewoners van dit stadsdeel behoorlijk heetgebakerd. De nadruk ligt hierbij op de brandstichtingen en de grote (en indrukwekkende) brand in de St.-Trudokerk. Die spreken nu eenmaal tot de verbeelding. Maar er hebben zich ook andere branden voorgedaan, kleinere en wat grotere. Zo werd na de tweede golf brandstichtingen en de arrestatie van P. van der Looy nog even gevreesd voor een derde reeks. Er werd weer iemand gearresteerd die had geprobeerd brand te stichten, een jonge hulpkok, en daarmee keerde de rust weer enigszins terug. In het museum van de brandweer Eidnhoven vindt men het dagboek van de (in Eindhoven) legendarische brandweerman Pauw van den Brake, die tot op late leeftijd actief bleef binnen de brandweer en nauwgezet alle werkzaamheden bijhield. Wanneer men de uitrukken in dat dagboek voor 1931 erop naslaat, dan komt men toch wel heel erg vaak adressen in Strijp tegen, veel vaker dan uitrukken in de andere stadsdelen. Al die gebeurtenissen zijn boeiend om te lezen, maar een opsomming van alle gebeurtenissen valt buiten het kader van dit artikel. Zo groot en zo belangrijk is Strijp nou ook weer niet.    

Dank:
Graag wil ik professor Gerard Strijards en Frans Gommers danken voor hun hulp bij het schrijven van dit artikel. Ze hebben me de ogen geopend voor zaken die ik weliswaar al wist, maar die ik nooit tevoren in samenhang met deze brandweergeschiedenis had gezien. En juist die relaties tussen de feiten en beweringen zijn zo ontzettend belangrijk en tonen aan dat zaken zelden los van elkaar staan. Peter van Gijsel van de “Museumcommissie brandweer Eindhoven” zorgde ervoor, dat er prachtige foto’s van de kerkbrand te voorschijn kwamen, waarvan we u hier kunnen laten genieten.     

 Stripe kerk

Bronvermelding:

Brake, Pauw van den: dagboek gevoerd over de diverse branden en uitrukken in Eindhoven jaren ’30. Historische Collectie Brandweer Eindhoven.

Dekkers, F: Eindhoven 1933-1945, kroniek van Nederlands Lichtstad in de schaduw van het Duitse Rijk. Haarlem, 1982. ISBN 90 6265 104 6

Hijnen, Th.: Trudokerk 100 jaar 1887-1987; Eindhoven 1987 (uitgave parochie St.-Trudo)

Smeets, F: Strijp, toen ons Opoe nog een “Durske”waar. Eindhoven,1994. ISBN 90-9007695-6

Snellen, P en Pero, J: De brandweer van de Lichtstad. Grave 1992 ISBN 9789070674090 

Strijards, G: Stripe Kerk, niet van gisteren. Zeshonderd jaar kerkgeschiedenis; Den Haag 2012 
ISBN 978-90-5850-912-3

Werners, R: Dertig jaar pastoor 1924-1954; Tilburg 1967 

Wikipedia (sites met betrekking tot juridische zaken)


Diverse andere internetsites, waaronder: 

http://www.ihesm.com/eindhoven1934/oudstrijp

http://www.ihesm.com/eindhoven1934/zeelst (Hier wordt P. van Looy als Looij geschreven)

https://www.eindhovenfotos.nl/brandweer_eindhoven.htm

https://www.ed.nl/eindhoven/aangestoken-brand-trudokerk-eindhoven-in-lezing-gerard-strijards~ab9adb50/

artikel prof. dr. mr. Gerard Strijards: STICHTTE DE STRIJPSE PASTOOR ZELF BRAND? (Eindhoven 2016)

Delpher, https://www.delpher.nl/ Daarin werden onder meer geraadpleegd:

Zuid-Willemsvaart 2 juli 1936

Het Algemeen Handelsblad 7 september 1931

De Telegraaf 7 september 1931

De Tijd 25 november 1931

Limburger Koerier 9 december 1931

De Banier 15 december 1931

Eindhovens Dagblad 13 mei 1932

De Tijd 31 mei 1936


extra St. Trudokerk in de oorlogsjaren 

onder redactie van eindhovenfotos.nl

Kerkbestuur gered door het uitbreken van de oorlog

In 1936 raakte de kerk beschadigd door brand. Ze werd hersteld in 1937-1938 door de Eindhovense stadsarchitecten Louis Kooken en Kees de Bever. Dezen breidden de kerk uit met een toren "eindelijk" en twee buitenste zijbeuken, zodat de kerk nu vijfbeukig werd. Ook werd een achthoekige doopkapel bijgebouwd.


In de periode eind januari en begin februari 1943 zijn aannemers bezig, in opdracht van de Duitse bezetter,  alle kerkklokken weg te halen uit Eindhoven. De koperen klokken worden tot kogels om gesmolten!  "We zullen dus geen klokken meer horen luiden of slaan". schrijft Fiek Fast in zijn dagboek over bezettingstijd in Eindhoven. Dit dagboek komt binnenkort online.
Hieronder unieke foto's van het weghalen van de klokken uit de St. Trudokerk.


"Klokken uit de toren, oorlog verloren"
deze tekst staat illegaal geschreven op een klok die begin 1943 geroofd werd.
®foto's Jacques Hermans / eindhovenfotos.nl
Pastoor Werners (volgens verhaal in nieuwtoen.nl) heeft met bluf de klokkenroof Trudokerk tegen gehouden.
Lees algemeen verhaal bij Niod over de klokkenroof in Nederland
https://www.niod.nl/nl/klokkenroof/klokken-uit-de-toren-oorlog-verloren

 Op Maria ten Hemelopneming, 15 augustus 1944 kwam tegen de middag vanuit de richting Aalst een fors eskader vliegende forten aan die op zeer geringe hoogte vlogen. Plotseling hoorden wij de luchtalarmsirenes uit de stad. De vliegtuigen vlogen duidelijk naar de richting Strijp en het vliegveld. Na zeer korte tijd volgden de enorme ontploffingen. Boven Strijp zagen we de rook. Het luchtalarm werd afgeblazen en .....Thuis hoorden we al van bomschade aan huizen in de Trudostraat, Gelderlandplein, Strijpsestraat en de st-Trudokerk en de acht á negen dodelijke slachtoffers. 

Ook de Trudokerk wordt door aantal bommen getroffen. Delen van de kerk werden zwaar beschadigd bij dit Engelse bombardement. Pas in 1949 kwamen de herstelwerkzaamheden gereed.

Het kostbare bombardement van de Amerikanen had geen enkel effect, zoals wij later vernamen, omdat het Duitse leger het vliegveld al had verlaten en alle voorraden goederen en startbanen had opgeblazen. Een maand later werd Eindhoven bevrijd. 


 bombardement Sint-Trudokerk 15-8-1944
3x ®foto's Jacques Hermans van drogisterij "Het Kruispunt" en
actief in het Eindhovens verzet 1940 - 1945. 
Lees de P.A.N. verhalen

De laatste verrassing van Pastoor Fransiscus Werners

Strijpenaren zijn een machtige oervolk

Het is verheugend dat dit merkwaardige bouwsel er toch nog steeds staat. Ik kreeg steeds vaker vragen over deze ruïne, die nu, in 2016, geheel overwoekerd blijkt door groeisels van klimop en aanhechtsels afkomstig van opschietend onkruid. Net als bij de folly die opgetrokken is in de noordelijke kloostertuin van het Augustijnerconvent "Mariënhage" in het centrum van de stad -- het geldt hier de ruïne van een aantal spits- en rondbogen parallel lopend aan de tegenover gelegen oostelijke pandgang met gebrandschilderde gothische raampartijen -- gissen heemkundig geïnteresseerde bezoekers dat het hier gaat om authentieke overblijfsels van een middeleeuws bouwwerk. "Follies" zijn fopperij-gebouwen, opgetrokken om tuinen, meestal in de Engelse landschapsstijl, een bijzondere historische dimensie te geven. Meestal gaat het erom de suggestie te wekken, dat de tuin een aanleg heeft bovenop geslechte stadswallen, een religieuze plaats van samenkomst of zelfs een Germaanse druïde-offerplaats. Maar het geldt inderdaad vroom bouwkundig bedrog. De ruïne is doelbewust als ruïne gebouwd. In de negentiende eeuw was er, vooral in katholieke kringen, een hunkering naar de middeleeuwen. Toen scheen West-Europa harmonisch verenigd onder het oppergezag van Rome, onder het jurisdictionele primaat van de Paus, die universeel wetten stelde en recht handhaafde in het Avondland, waardoor Europa een soort verenigde staten van het Heilig Roomse Rijk leek, met een strenge hïerarchie, waarboven de Paus als opperherder der Christenheid gebood. De koningen, keizers, groothertogen, prinsen, keurvorsten, prins-bisschoppen en graven oefenden de wereldlijke macht uit namens die paus en hanteerden daarbij de rechtsbeginselen van het kerkelijke, het canonieke recht, dat weer een voortzetting heette van het oorspronkelijke Romeinse recht dat overal gegolden had waar de Romeinse troepen ooit de marspas gemarkeerd hadden. Er was dus rechtseenheid, die zich ook voortzette in een uniforme bouwstijl: de gothiek die voor die eenvormigheid symptomatisch was geweest. Door heel West-Europa heen bouwde men kloosters, scriptoria, markthallen, kathedralen, kapellen en zelfs ziekenhuizen, hospitia en stadhuizen in die stijl. De neogotiek was daarvan de negentiende-eeuwse herleving. In Engeland bouwde men enthousiast in die stijl de immense Huizen van de Volksvertegenwoordiging ("Houses of Parliament" in Westminster) maar ook publieke spoorwegstations, nutsgebouwen zoals stoomgemalen, sluiswerken, stadhuizen, ziekenhuizen en bibliotheken. In Nederland volgde men dat na. Het zo deerlijk afgebroken neogotische Eindhovense stadhuisje aan de Rechtestraat was daar een uniek voorbeeld van, met zijn torentjes, pinakels, spitsbogen, risalieten en frontons.

Pastoors hielden echt van dat soort follies en bouwden overal neogotische "grotten van Lourdes" in de pastorietuinen, met Maria, verschijnend in een neogotische nis, een raampartij met spitsbogen, waardoorheen de ondergaande zon dan in de valavond deemsterend geheimzinnige stralen liet vallen op de Heilige Moedermaagd, die hier sedert eeuwen regelmatig scheen te verschijnen --- althans, die suggestie werd gewekt. Met een beetje geluk ontfermde de Broederschap van de Heilige Rozenkrans zich wel over de folly, die ze voorzag van perken en bloempartijen en met wat goede wil werd een bedevaartsoord ontwikkeld, waarheen in de oktobermaand in de vroege ochtend processies met bidstonden werden gericht.


Fransiscus Werners was zo'n pastoor. Hij was op oudjaar 1923 met tegenzin naar Strijp getogen als zijn pastorale standplaats in het rechtsgebied van de Bisschop van 's-Hertogenbosch, nog op het gebod en de benoeming van Mgr. van de Ven, de boerenzoon-bisschop. Werners was de zoon van een Geldrops industrieel en achtte zich mijlenver verheven boven de wat boerse, weinig culturele klasgenoten van zijn seminarie-jaar dat sedert 1920 "aan de beurt" was voor pastoorsbenoemingen. Hij had gehoopt op een deftige grote stads-parochie. En nu kreeg hij een minder aanzienlijke standplaats als Strijp, dat in de Kempen berucht was als achterlijk, armzalig en armoedig gebied met een kerk zonder toren. Hij was vastbesloten dat Strijp op te stuiten in de vaart der volkeren en te bewijzen, dat Strijp sedert onheugelijke tijden een plaats van aanzien was geweest met een aanzienlijk kerkgebouw. In zijn memoires spreekt Werners zelfs van een koepelkerk. Die zou er in de vroege middeleeuwen al geweest zijn. Ik denk dat de dekenale Sint Brigida-kerk uit Geldrop hem hier parten heeft gespeeld. Hij heeft in de schaduw daarvan zijn kleuterjaren doorgebracht en zijn eerste onderricht genoten en later gedacht, op het seminarie: later bouw ik óók zo'n koepelbasiliek als mausoleum voor pastoor monseigneur Werners, je zal eens wat zien. Hij was teleurgesteld toen hij het kerkgebouw van Strijp zag, het schip met viering, zonder toren en kapellen, van de hand van Cornelis van Dijk, een eenvoudige timmerman die zich had opgewerkt tot architect. Degelijk, eenvoudig, wel robuust, maar niet indrukwekkend.

Werners hele leven stond in het teken om dat gebouw nu eens op te rekken en uit te bouwen tot koepelkerk. Hij startte met deze vreemde aspiratie in 1924, predikend over het rijke middeleeuwse verleden van Strijp, dat nog ouder was dan Tongeren. Tenminste, zo stelde Werners zich dat voor. In "Dertig Jaar Pastoor", een uiterst curieuze autobiografie die Werners in zijn emeritaatstijd in Tilburg schreef in het verzorgingstehuis "Huize Lidwina" aan de Pelgrimsweg, windt hij er geen doekjes om: Strijp was wereldberoemd om zijn heiligdommen in heel de Kempen en Brabant. De reusachtige Trudo-klok die dateerde uit 1436 bewees dat er ook een reusachtige kerk geweest moest zijn, dat kon niet anders. Voor tegenbewijs was Werners niet-ontvankelijk. Wie hem te na kwam werd genadeloos neergesabeld, óók in de locale periodieken, want schrijven, dat kon onze Werners wel, in tegenstelling tot de meerderheid zijner confraters. Hij was zeer gevoelig voor mystificaties en die tierden in het interbellum levendig. Een daarvan was "Thet Oera Linda Bok". Dat gold een mysterieus handschrift, dat bewees, dat de Friezen -- van wie de Nederlanders heetten af te stammen -- vanaf de eerste scheppingsdag, nog voor het vergaan van Atlantis, de hele aardkloot hadden beheerst. Dit machtige oervolk was door de zondvloed jammerlijk gespleten over de werelddelen die uitelkaar waren gaan drijven, maar hun harde kern was bewaard gebleven in de Lage Landen, Nederland dus, dat door een godswonder gespaard was gebleven bij deze immense natuurramp toen Atlantis in machtige tsunami's en vloedgolven onherroepelijk ondergespoeld was. Aan de vloedlijn, die eeuwenlang niet tot bedaren was kunnen komen, had een nederzetting gelegen. Rondom een grote heerboerderij waarin een oeroude stamvader had gezeteld: de Hoeve, aan het Eind der wereld. Ja hoor: Eind-hoven. Dat lag aan die immense waterpartij. Voor dat Eind-hoven was een streep landbouwgebied ongerept gebleven. Een streep. Ja hoor: Strijp. Die Heer van Eindhoven, die hoevebewoner, had zijn taak tot kerstening begrepen en zijn onderhorigen ingeprent dat zij God moesten eren en danken voor hun behoud. De slaven en horigen hadden dat begrepen, huiverend in hun holen langs de kreek de Gender, waar zo nu en dan het dreigend zeewater uit die barre oerzee, de Oceaan van Atlantis -- dus de Atlantische Oceaan -- nog wel eens binnenwies. Zij hadden bergen opgeworpen, de Engelsbergen, en daar hadden zij de eeuwen door gebivakkeerd in afwachting van de wederkeer van het Ware Licht. Dat was allemaal goed te bewijzen, want die Engelsbergen, heuvels langs de Gender, hadden er tot diep in de twintigste eeuw gelegen totdat de heiligschennende hand van een stelletje onverlaten zich eraan vergrepen had en die zandmassa's had afgegraven ten behoeve van de stadsuitleg voor iets banaals als Groot Eindhoven. Een van die ellendelingen was de stadsarchitect Louis Kooken geweest, die man had geen gevoel voor geschiedenis.


Gelukkig had Werners dat nu juist wél, en als hij zo onbescheiden mocht zijn: zulks uniek en in ongedachten mate. Nu moest nog "bewezen" worden dat Strijp krankzinnig oud was. In 1936 kwam de grote kans. De Trudo-kerk brandde af. Dit was de gelegenheid om bij de wederopbouw de geschiedenis te restaureren en de aloude koepelkerk weer te doen verrijzen, want door een gelukkig toeval waren er ineens centen genoeg. Werners maakte diensvolgens plannen. Maar de gemeente zag zijn wrochtsels absoluut niet zitten en eiste herbouw, en niet volgens het Oera Linda Bok zoals Werners dat interpreteerde. Maar wel volgens de aanwijzingen van Louis Kooken die een degelijk bouwmeester was gebleken, óók bij die verdoemelijke stadsuitleg. Dat mishaagde Werners, die geen tegenspraak gewoon was, in hoge mate. Vooral de torenaanleg stond hem tegen, want daarvoor had hij meer donjon-achtige contouren gepland. Mokkend trok hij zich terug met zijn Strijpse getrouwen in de pastorietuin en sloeg aan het metselen, waarbij hij het puin en de restmaterialen van de afgebrande creatie van Cornelis van Dijk gebruikte om ijlings een kerkaanleg te suggereren, zogezegd uit de vroege middeleeuwen. Dat was wat was overgebleven van die Strijpse oerkerk, als iedereen met zijn heiligschennende fikken uit de buurt was gebleven, want het was een prestige-kwestie geworden. Dat hij daarbij machinaal bewerkt arduin en zandsteen bezigde voor de raamdorpels, rozetten en montants mocht de pret kennelijk niet drukken. Hij, Werners, had de geschiedenis ter dege bestudeerd en wie van ander inzicht gewaagde diende terstond aan zijn duimen opgehangen te worden.


Bij het Oera Linda Bok was vrijwel terstond na de "vondst" (rond 1870) op de zolder van een West-Fries vrijwel meteen gebleken dat de rune-tekens die een oud-Fries handschrift zouden vormen, waren geschreven op machinaal geschept gelinieerd papier uit 1850 met een bepaalde houtvezelstructuur die wees op industrieel vervaardigd papierpulp. Maar zoiets mag bij een rechtgelovige de feestvreugde niet drukken: waar een overtuiging is, is ook altijd een weg. En zo was het bij Werners' bouwkunst óók. Himmler, de geduchte SS-Chef, had de authenticiteit van het Oera Linda Bok ook meteen aanvaard in het kader van zijn Arische Rassentheoriën -- het was te mooi om niet waar te zijn -- en zo was het nu hier in Strijp toevallig óók nog eens een keer. Inmiddels is de mystificatie inderdaad tot voltooiing gewassen, want wie deze muurrestanten ziet in de Strijpse pastorietuin krijgt ook het gevoel naar een hoofdstuk uit het befaamde Doomsday-boek te staren. Het Engelse fiscale aanslagboek, dat geopend moet worden op de dag van het Laatste Oordeel betreffende de schatplichtigheid jegens de Kerk wegens grondbelasting. Dat Book is óók onbetwistbaar. Of, zoals de Engelsen zeggen: "since times unknown, before human memory". En dat is, waarop Werners uit was. Alleen had hij de tijd nodig. Of hij die krijgt is maar de vraag. Niet als zijn kerk, gebrekkig herbouwd of niet, niet alsnog wordt afgebroken.

Gerard Strijards

11-06-2016

Dit verhaal stond op www.eindhoven-in-beeld.nl Site is verdwenen, link verwijst naar http://web.archive.org/web/20161015000000*/http://www.eindhoven-in-beeld.nl/