Henri van Abbe (1880-1940)

Henri van Abbe werd geboren te Amsterdam op 8 januari 1880. Hij was het achtste kind van Jenneken Renssen en Jacob van Abbe. De familie Renssen was gereformeerd; de familie Van Abbe joods. In 1906 trouwde Henri van Abbe met Allegonda Maria van Reeken. Zij was in 1885 geboren in Tiel en rooms-katholiek. Henri zou later eveneens tot dit kerkgenootschap toetreden. Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren. Twee meisjes overleden jong. Van de drie zoons was de oudste, Henri jr., gehandicapt. De twee anderen, Jan en Albert, zouden later bij het bedrijf van hun vader betrokken worden. Henri van Abbe overleed op 18 november 1940.

Zoon Henri werkte na zijn middelbare schoolopleiding enige tijd als leerling-tabaksmakelaar. Met een gift van 10.000 gulden van zijn vader begon hij in 1900 een sigarenfabriekje in de Amsterdamse Rustenburgerstraat.  Opnieuw volgens mededeling uit familiekring was het Amsterdamse bedrijfje aanvankelijk niet erg succesvol. 

Dit zou met name het gevolg zijn geweest van het grote aantal arbeidsconflicten, dat zich in die tijd in de Amsterdamse sigarenindustrie voordeed. Ook Van Abbe kreeg zijn deel ervan.

In 1908 had Henri van Abbe genoeg van de problemen met zijn oproerige werknemers. Hij besloot zijn bedrijf in etappes over te brengen naar het toen nog zelfstandige Zuid-Oost-Brabantse dorpje Gestel, dat in 1920 met vier andere gemeenten bij Eindhoven zou worden gevoegd. De Amsterdamse sigarenfabrikant was zeker niet de eerste die deze stap zette. Al in de tweede helft van de negentiende eeuw hadden bedrijven in arbeidsintensieve takken van de industrie als de sigaren- en de textielnijverheid zich in Eindhoven en omliggende plaatsen gevestigd.
De voornaamste reden daarvoor was het ruime aanbod van gedeeltelijk uit de landbouw afkomstige arbeidskrachten in dit deel van Brabant. Mede hierdoor lagen de lonen er beduidend lager dan in het westen en midden van het land. 

Henri van Abbe startte zijn eerste Eindhovense sigarenfabriek in de huidige Palingstraat 31  (Gestel). Op de luchtfoto is duidelijk fabrieksstructuur te zien. 
De oude fabriek ligt tegen de vergeten tuin van Einhoven aan. http://www.vergetentuin.nl/ 
De Vergeten Tuin is elke eerste zondag van de maand open van twaalf tot vier. De tuin ligt achter de huizen in de Palingstraat in Eindhoven. De ingang ligt tussen nummer 21 en 23.

Op deze foto van 1916  is duidelijk te zien hoe omvangrijk de Karel 1 fabrieken al zijn. Op de tongelsestraat rijden nog paard en wagen.
vrijdag 19 februari 1971 brandde de Karel1 fabrieken af, zie de speciale pagina  over de brand.  

Karel 1

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Henri van Abbe nam kort hierna twee besluiten die van groot belang waren voor de toekomst van zijn onderneming. Hij verkocht zijn exportvergunningen en concentreerde zich voor de duur van de oorlog op de binnenlandse sigarenmarkt. Om die markt effectief te kunnen bewerken besloot Van Abbe verder om nog maar één merk sigaren te maken: Karel I.
Deze beslissing, die waarschijnlijk vooral was genomen om zo efficiënt mogelijk met de slinkende voorraden tabak om te gaan, was voor die tijd revolutionair te noemen. Vrijwel alle grotere Nederlandse sigarenfabrikanten maakten enkele fabrieksmerken, maar produceerden daarnaast in opdracht van winkeliers zogeheten 'winkelmerk' sigaren. Het resultaat was niet alleen een veelheid aan merken en merkjes, met overigens vaak prachtige namen, maar ook een onoverzichtelijke situatie wat betreft de kwaliteit. De winkeliers kochten namelijk vanwege de kosten hun 'eigen merk' sigaren nu eens bij deze en dan weer bij gene fabrikant.
De met een uitgebreide reclamecampagne gepaard gaande introductie van de wettig gedeponeerde Karel I-sigaren bleek een gouden greep. Toen de oorlog in 1918 was afgelopen en er geleidelijk wat meer geld onder de mensen kwam, steeg de vraag naar het inmiddels goed bekend staande merk sterk. In 1920 kon Van Abbe in Stratum een nieuwe fabriek openen, waar 600 vrouwelijke en mannelijke sigarenmakers aan de slag gingen.




In de jaren twintig groeide het bedrijf door. In een nieuwe, naar het stadsdeel Tongelre verplaatste Eindhovense fabriek werkten in 1929 ruim 1300 arbeiders. Enkele honderden hiervan waren Belgische pendelaars. In 1928 opende Karel I een filiaal in Reusel. Hier werkten een jaar later nog eens ruim 600 sigarenmakers. Daarnaast was er nog een fabriek in Maastricht, die in 1932 naar Waalre werd overgeplaatst. Na Philips was Van Abbe in de jaren twintig en dertig de grootste werkgever in Eindhoven en omgeving.
Henri van Abbe was een moderne industrieel. Was het in de meeste sigarenfabrieken traditioneel een rommelige bedoening, in zijn fabrieken heerste orde en netheid, ook in de personeelsruimtes. De sigarenmaaksters droegen in de jaren dertig witte jassen en witte kapjes in hun haar. Dit laatste deden zij tevens om veiliger met machines te kunnen werken. Ook wat betreft de mechanisatie in de sigarenmakerij speelden de Karel I-fabrieken een voortrekkersrol.

Brabantse schilders 

Zijn bedrijf maakte van Henri van Abbe een welgesteld man, maar zijn manier van leven bleef zeer eenvoudig. De directeur van Karel I wordt door familieleden omschreven als 'een huismus', die bij voorkeur 's avonds een glas thee met citroen dronk. Iets sterkers kwam er niet op tafel. Uitgaan deed Van Abbe nauwelijks. Een uitzondering waren de wedstrijden van het Nederlands voetbalelftal, die hij, zeker als ze in Amsterdam waren, meestal bezocht. Hij maakte verder een paar reizen voor zijn werk, onder meer naar Verenigde Staten, maar eigenlijk was hij het liefste thuis in Eindhoven.

Toch was een zekere ijdelheid deze van nature verlegen man niet vreemd. Henri van Abbe kon natuurlijk trots zijn op het succes van zijn bedrijf. Al in de jaren twintig liet hij zich enkele malen door Brabantse schilders portretteren. In die tijd ook kocht hij een aantal schilderijen, maar deze waren vooral bedoeld om de wanden van de in die tijd betrokken villa aan de Bilderdijklaan in het Eindhovense centrum op te fleuren.

Pas in het begin van de jaren dertig ontwikkelde zich vanuit die, wat men kan noemen hobbyistische interesse, een serieuze belangstelling voor kunst. De Brabantse tabaksmakelaar en later kunsthandelaar Tinus van Bakel, die vanaf het midden van de jaren dertig veel met Van Abbe optrok, had de indruk dat het verzamelen van kunst en vooral het contact met schilders een soort tegenstelling vormde met zijn werk als fabrikant en zijn zakelijke contacten. Kunst, meende Van Bakel 'was ontspanning voor hem, een mogelijkheid om zijn persoonlijkheid op nog een andere manier tot uitdrukking te brengen dan op de fabriek'.

Samen met Carl Alandt, een Amsterdamse vriend uit de tabakshandel, bezocht hij vanaf 1930 tentoonstellingen in het Stedelijk Museum en in het Gooi. Hier, in Amsterdam en in Den Haag maakte hij kennis met het werk van schilders als Jan Sluyters, Lizzy Ansingh en later de 'magisch realisten' Raoul Hynckes, Carel Willink en Wim Schumacher. Van al deze schilders ook kocht hij schilderijen.
Via de jeugdige Van Bakel belandde hij rond 1937 in de ateliers van Belgische expressionisten als Constant Permeke, Gust de Smet en Oscar Jespers. Van Bakel, een vriend van zijn zoon Jan, zorgde verder voor uitnodigingen voor feesten bij de bekende Nederlandse, in Parijs wonende society-schilder Kees van Dongen. Ook van hem en de Belgische expressionisten kocht Van Abbe een aantal werken.

Medio 1932 kwam Henri van Abbe met een voor Eindhoven opmerkelijk initiatief. Hij stelde aan de gemeente Eindhoven een bedrag van maximaal 150.000 gulden (tegenwoordige waarde ruim een miljoen euro) ter beschikking voor de bouw van 'een museum voor schilderkunst'. Voor de opbouw van de collectie en de exploitatie van het museum was hij bereid de eerste vijf jaar nog eens 45.000 gulden bij te dragen. De raad aanvaardde in januari 1933 Van Abbes aanbod. De gemeente van haar kant stelde het terrein op de hoek van de Bilderdijklaan langs de Dommel gratis ter beschikking.

Er is veel gespeculeerd over Van Abbes motieven om met het museumplan te komen. De al genoemde ijdelheid zal zeker een rol hebben gespeeld. Een museum is natuurlijk heel wat minder vergankelijk dan een portret of een fabriek. Bij het voorstel zullen waarschijnlijk ook een aantal binnen- en buitenlandse voorbeelden van belang zijn geweest. Kort voor hij met zijn plan kwam, was bekend geworden dat de Rotterdamse ondernemer en kunstverzamelaar Van Beuningen iets dergelijks had gedaan. Ook enkele Amerikaanse industriëlen/collectioneurs schonken rond 1930 geld en delen van hun verzameling aan musea.

Henri van Abbe geschilderd door Kees van Dongen. Op de achtergrond dozen sigaren. Ook op de foto (1938) zit zijn klein dochter Olly (de Vries)-Van Abbe , die later  bekende beeldhoudster werd in Eindhoven, die veel bekende en onbekende Eindhovenaren heeft vereeuwigd in haar beeldhouwwerken ( Olly de Vries-Van Abbe is begin januari2017 overleden)  Olly de Vries-Van Abbe luidde 25 jaar geleden als eerste de noodklok toen de gemeente plannen had om het door opa Henri aan de stad geschonken Van Abbe-museum af te breken. Met verontruste Eindhovenaren richtte zij de Henri van Abbe Stichting op. Met broer Marc als vice-voorzitter is de stichting nog steeds actief op het gebied van monumentenzorg in de stad.
Schilderij : sigarenfabrieken.nl door Jan de Waal in combinatie gebracht met foto Martien Coppens

Van Abbemuseum

Henri van Abbe was verder een eigenzinnig man. Dat blijkt wellicht het beste uit een artikel over hem dat De Groene op 17 augustus 1936 publiceerde. Hierbij staat een foto van een portret dat P. van der Hem enkele jaren daarvoor van Van Abbe had geschilderd. De fabrikant maakt daarop een nogal fletse indruk, goed in het pak, wat dikkig, een kalend hoofd; het prototype van de geslaagde zakenman. Maar in het artikel staat ook een beschrijving van een schilderij van een 'frêle vrouwenfiguur' die achter Van Abbes bureau aan de wand hing. Het ging om een schilderij van Kees van Dongen, waarbij het 'matschijnend kleed... slechts gedeeltelijk de teere tinten van een blank lichaam bedekte'. Welke katholieke ondernemer of iemand met een andere levensovertuiging zou een dergelijk schilderij in het Brabant van de jaren dertig van de twintigste eeuw in zijn werkkamer durven ophangen? Geen waarschijnlijk. Van Abbe wel en dat toont hem ten voeten uit. De Eindhovense sigarenfabrikant en kunstverzamelaar was een man met karakter en niet bang om daarvoor uit te komen.
Van Abbes voorstel was origineel voorzover het zijn bedoeling was dat het museum een verzameling van werken van nog levende kunstenaars zou opbouwen. Uit zijn eigen collectie schonk hij een dertigtal, door een commissie van drie vooraanstaande museumdirecteuren, geselecteerde stukken.
Het ontwerp van het nieuwe museum verliep met enige problemen. De eerste kandidaat, de Rotterdamse gemeente-architect Van der Steur, kreeg van zijn werkgever geen toestemming zich ermee bezig te houden. Een eerste ontwerp van zijn opvolger, de tot de behoudende Delftse school behorende architect A.J. Kropholler vond geen genade in de ogen van Van Abbe. Hij stimuleerde de architect W. Zweedijk om een moderner ontwerp aan de raad te presenteren. Die had echter in meerderheid een duidelijke voorkeur voor het plan van Kropholler. Deze maakte nu een tweede versie die voor beide partijen aanvaardbaar was.

In juni 1934 begon de bouw van het museum, dat al in april 1936 onder de naam Stedelijk Van Abbe Museum kon worden geopend door minister van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen dr. Slotemaker de Bruïne. De door de eerste directeur, de kunsthistoricus dr. W.J.A. Visser samengestelde openingsexpositie had als thema 'Hedendaagsche Nederlandsche Kunst'. Ter gelegenheid van de opening werd Van Abbe benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Henri van Abbe mocht de ingebruikneming van 'zijn' museum slechts ruim vier jaar beleven. In december 1940 stierf hij aan een verwaarloosde blindedarmontsteking. Ter herdenking van zijn overlijden werd eind december 1940, begin januari 1941 een twee weken durende tentoonstelling in het Van Abbe Museum gehouden. De korte duur van de expositie hing vrijwel zeker samen met het feit dat Van Abbe van joodse afkomst was. Directeur Visser had toen al ontslag genomen omdat hij niet met de Duitse bezetter en diens Nederlandse geestverwanten wilde samenwerken.
Na de oorlog zouden Vissers opvolgers als mr. Edy de Wilde, ir. Jean Leering en drs. Rudi Fuchs het Van Abbe Museum tot een van de meest vooraanstaande musea op het terrein van de hedendaagse kunst in Europa maken.
Bron: http://www.thuisinbrabant.nl/personen/a/abbe,-henri-van

Bronnen
• Stedelijk Van Abbemuseum Eindhoven, Documentatie over Van Abbe
• Streekarchief Regio Eindhoven, Documentatie over Van Abbe
• Bas Bierkens, De sigaar uit de Kempen, Eindhoven 1997
• Jessica de Heer, 'Het Stedelijk van Abbemuseum, 1933-1963', ongepubliceerd manuscript 1982
• Ed van de Kerkhof, 'De hobby van de sigarenbaron', in: Eindhovens Dagblad, 11 juni 1986
• J.M.P. van Oorschot, Eindhoven, een samenleving in verandering, dl. 2, 1920-1960, Eindhoven 1982, 891-893
• Lambert Tegenbosch, 'Henri J. van Abbe, Herinneringen van Tinus Van Bakel', in: Brabantia 22 (1973) 108-109
• Mondelinge informatie van mevrouw O. de Vries-van Abbe en drs. D. Franssen van het Van Abbemuseum, beiden te Eindhoven

Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).

1

Jan van Abbe (1908-1955)

Jan Sluijters portret van Jan Francis van Abbe (1908-1955)
olieverf / doek, 132 x 84 cm
Private collection

2

Albert van Abbe (1910-1984)

Jan Sluijters portret van Albertus Josephus Adolf ('Albert') van Abbe (1910-1984 Private collection

3

Ingeborg van Abbe

Jan Sluijters portret van Ingeborg van Abbe, een van de drie kinderen van A.J.A. (Albert) van Abbe, zoon van de sigarenfabrikant Henri van Abbe (1880-1940)
Private collection

4

Karina van Abbe (1940-2003)

Jan Sluijters portret van Karina van Abbe, een van de drie kinderen van A.J.A. (Albert) van Abbe, zoon van de sigarenfabrikant Henri van Abbe (1880-1940)
80 x 60 cm geschilderd ca 1947 Private collection

VAN ABBE-MUSEUM TE EINDHOVEN 

{artikel uit 1936 over de opening van Abbe-museum]
Aan de gemeente Eindhoven werd een museum geschonken door den Heer H. J. van Abbe, directeur der Karel I-fabrieken aldaar. De gemeentelijke collectie moderne schilderijen en wisselende tentoonstellingen nodigen er tot een bezoek.
Rotterdam en den Haag hebben lang gewacht op een waardig schrijn voor hun kleinodiën. De schenking aan Eindhoven voorziet echter niet in een lang gevoelde behoefte, maar doet veeleer het verlangen ontstaan, het ruime, uiterlijk eenvoudige, doch waardige museum steeds beter aan zijn bestemming te zien voldoen. Van de moderne industrie heeft men wel eens gezegd, dat zij allereerst begeerten schept en daarna deze eventueel bevredigt. De jonge industriestad geeft door haar museum te kennen, dat haar verlangen naar schoonheid ontwaakt is.


De Heer van Abbe koos arch. A. J. Kropholler tot zijn vertrouwensman. Deze kweet zich van het moeilijke bouwprogramma, waarbij de uiterste zuinigheid werd voorgeschreven, op gewetensvolle wijze.
In den bouw strijden schoonheid en spaarzaamheid om den voorrang met de technische verzorging van het geheel. De conceptie van het gebouw is zeer klaar, eerlijk en doelmatig. Men mag zich afvragen, of de situatie een zóó strenge symmetrie geheel rechtvaardigt.






Voor een monumentaal gebouw en voor een museum in het bijzonder is symmetrie een deugd, dus zeer wenschelijk, indien de omgeving zich hiertegen niet verzet. 
Deze vraagt hier om een zeker evenwicht. Voor de bezoekers van een museum, dat in den regel vrijwel geheel voor het publiek toegankelijk is, is het van groot belang, dat zij zich in het gebouw gemakkelijk kunnen oriënteren. Kropholler heeft de gevraagde zalen alle „en suite" geplaatst, met uitzondering van de tentoonstellingszaal, die centraal gelegen is, en waaromheen de andere ruimten in een kring gegroepeerd zijn. De bezoeker wordt dus niet verontrust door de gedachte, of hij op zijn weg mogelijk een zaal of kabinet passeerde. De symmetrie maakt het eenvoudig te schatten, welk 'n gedeelte van den kringloop men heeft afgelegd, wat een goede distributie van den beschikbare tijd toelaat. Het voor een museum doelmatige bovenlicht maakt het enerzijds gemakkelijker, tot een symmetrische oplossing te komen, omdat de situering van de zalen ten opzichte van de windstreken vrijer wordt; anderzijds vraagt het dan ook middelen (als b.v. de symmetrie) om de oriëntatie te vergemakkelijken, nu de hulp van de zon daarbij zoo gering wordt. Alleen van uit de kabinetten (en er zijn er helaas slechts twee)wordt den bezoeker een blik naar buiten toegestaan. 

Foto's 1936 De beeldhouwer John Raedecker, bekend van de beelden van het Nationaal Monument op de Dam en ook de maker van de steigerende paardjes voor de entree van het museum. In de hal van het museum een wandschildering van Dirk Nijland. 

De schoepenconstructie

Het Van Abbe Museum presenteert zich waardig aan het hoofd van de tot een plantsoen verbrede Bilderdijklaan. De centrale ingang wordt gemarkeerd door den toren, die door den ontwerper oorspronkelijk forser en hoger was bedoeld. Men vreesde, dat zijn slagschaduw aan de verlichting van de zalen schade zou toebrengen. Dit bezwaar dunkt ons minder ernstig, omdat het alleen bij zon zich zou voordoen, en dan toch gebruik zal worden gemaakt van de schoepenconstructie, waarmede de verlichting geregeld wordt. Het is voor den aandachtigen beschouwer duidelijk, dat de bovenbouw van den toren robuuster hoort te zijn. De pinakels op de hoeken van de borstwering trachten, op enigszins armelijke wijze, de torenmassa te vergroten. Het kloeke vergulde uurwerk reduceert echter de hier bedoelde werking.
De inkrimping van den torenopbouw, welke door mij betreurd wordt, was aanleiding voor den architect om op andere wijze nu nog het midden en den ingang te accentueren en wel door den monumentale trap met de door John Raedecker in trachiet gehouwen steigerende paarden. Het reliëf boven den ingang, het wapen van Eindhoven, is van dezelfde hand. We zijn er Kropholler dankbaar voor, dat hij door zijn grote spaarzaamheid de totstandkoming van dit interessante beeldhouwwerk heeft mogelijk gemaakt. 

De aesthetisch-symbolische bedoeling er van is, meen ik, deze: dat onze geest gespannen en in vrijheid zich verheft bij het bewonderen van schoonheid. Gaarne zouden we de beelden een weinig hoger geplaatst zien. Het verband tussen het beeldhouwwerk en de architectuur van den trap kon hechter zijn.
Zware met brons beklede deuren beveiligen de entree.
Men passeert een uiteraard weinig gastvrij tourniquet (men is aan deze marteling langzamerhand wel gewend) en komt via een vrij duister voorportaal in de rustig verlichte hal, die zich in de breedte uitbreidt.
Voorportaal en hal ontvangen het licht hoofdzakelijk door de tongewelven van deels blauwgrijs gekleurden glazen bouwsteen. 
Het oog wordt ontspannen door de aangename koelte, en door het licht getrokken naar de schilderijenzalen. Het bovenlicht van deze zalen gaat eerst door draadglas, passeert de schoepenconstructie en wordt dan door het regendrupglas nog gelijkelijker verspreid. Wij missen hier het voordeel van het prismaglas (dat dan ook nog het opalineglas vereist) en dat het licht meer naar de wanden werpt. Betreffende de verlichtingsquestie werd advies gevraagd aan Prof. Ornstein. De architect heeft ook van de directeuren van onze voornaamste musea waardevolle inlichtingen ontvangen. Ook op het verlichtingssysteem van Prof. Ornstein moest helaas bezuinigd worden. Geheel bevredigend is de verlichting zeker niet. Zij ware wellicht te verbeteren door het midden van het glasvelum een weinig af te dekken.

De verlichtingsquestie

De verlichtingsquestie is heel moeilijk, maar de sleutel ligt hier, dat een schilderij, wil men het genieten, zóó gezien moet worden als de schilder het zag. Of wel zoals de maker wenste, dat ge het zoudt zien. «iemand kent iets zoo goed, als wie het veroorzaakte als schepper.
Die kennis is allereerst het inzicht in de positieve waarden (en kritisch het leed om het ontbrekende).
Om een symfonie van Mozart waarlijk goed te horen moet je, al luisterende, Mozart zijn (worden).

De schilderingen in de Sixtijnse kapel zijn goed verlicht, want het licht valt nog steeds zoo, als Michel Angelo er van gebruik maakte. (Een schilderijen-museum is altijd, in zeker opzicht, een soort van vondelingenhuis.) De meeste schilderijen werden geschilderd bij hoogstaand licht, van links invallende. En voor deze schilderijen is dit dan ook het gunstigste licht, om bij gezien te worden. In vroeger tijd waren de ateliers veelal matig verlicht. Het onmatige, over geperfectioneerde lichtvoet in onze moderne musea veel schilderijen verdrinken. Laten wij nimmer vergeten, dat kunstwerken geesteskinderen zijn, en in een gezin thuis behoren, niet in een crèche. 

De schilderijenzalen 

De schilderijenzalen in het Van Abbe Museum hebben door hun uniformiteit een tekort aan warmte. Zij werden behangen met een gebroken wit papier, goed van toon, maar hopelijk provisorisch bedoeld. De lage teakhouten lambrisering (nogal grof van détail) doet hiertegen te kleurig. De vloerbedekking van bruin linoleum is wat armelijk. (De schuine hoeken verzwakken den zaalvorm.) Zeer aangenaam van kleur is echter de hal, in fraaie Frieschen baksteen boven een plint van licht-geelgrijzen geglazuurde steen (iriseerende patine). De vloer is van comblanchien, met een rand van donker hardsteen en geaderd wit marmer. Een viertal slanke boogvensters hebben fijn genuanceerd gebrand glas, in bruine en blauwviolette tinten. Boven de teakhouten banken zijn decoratieve panelen van Dirk Nijland.
Ziehier thans nog enige technische gegevens. Met uitzondering van den natuursteen, hoofdzakelijk Duitsche trachiet, werden zoveel mogelijk Hollandsche materialen verwerkt. Het gebouw is opgetrokken, op een grondverbetering en zware betonfundering (ruim 1 0 M. lange betonpalen), in baksteen (twee halfsteen muren,  reuzemoppen van Ouderzorg). De plinten, muurafdekkingen en goten in trachiet doen aangenaam aan. De weinige ramen zijn van staal. Vrijwel al het binnenhoutwerk van blank teak, duidelijk sprekende houtverbindingen. Het is jammer, dat vóór den bouw geen overleg met den directeur van het museum kon plaats hebben, doordat deze, de Heer Dr. Visser, eerst na den bouw benoemd is geworden. Het studeervertrek van den directeur ligt aan de Noordzijde naast den ingang, en maakt evenwicht met de portiersloge en garderobe, die van uit het voorportaal toegankelijk en geschikt verlicht zijn. In den kelder bevinden zich de ruimten voor expeditie (die, door onvoldoende bestudering, niet geheel aan hun doel beantwoorden) en een ruime woning voor den conciërge. Ook is er ondergebracht de installatie voor centrale verwarming door middel van warm water en warme lucht.


Uitbreiding van het museum zal vooreerst wel niet nodig zijn, doch is goed mogelijk aan de achterzijde.Nog een enkel woord over het karakter van het gebouw. Naar mijn overtuiging wordt hier het museum-karakter, dat wel zeer moeilijk te definiëren is, op een aanvaardbare wijze tot uitdrukking gebracht. Enerzijds behoort een museum voor beeldende kunst te zijn: een kleinoodiënschrijn; een tempel, waarin de schoonheid aanschouwd en beleden wordt. Anderzijds heeft een museum ook uiteraard iets van een showroom, van een pakhuis. Ja, een museum is hybridisch van aard en zal dit vooral immer zijn in perioden van wancultuur. In tijden van echte cultuur sticht men echte tempels. Bij het Van Abbe Museum spreekt de geslotenheid van het schrijn wel duidelijk uit het exterieur van het gebouw. De sfeer in de hal zondert ons ineens af van de materiële, rammelende sfeer der industriestad en nodigt tot stille beschouwing. De hal is een goede voorbereiding tot het museum. Men kan echter niet zeggen, dat de museumzalen een even goede voortzetting zijn van de hal. De hier gestelde zuinigheidseisen vormden ongetwijfeld een sterke hindernis voor de architect om zijn idee van het gebouw volkomen te verwezenlijken. Wie dit toegeeft, zal daarom niet minder betreuren, dat, bij het schone en waardevolle, hetwelk bereikt werd, die krachtige eenheid ontbreekt, welke ons een bouwwerk doet ervaren als een lévend wezen.

Ir. F. H. WARNAARS.
bron Het R.K. bouwblad; officieel orgaan der Algem[eene] Katholieke Kunstenaarsvereeniging jrg 8, 1936, no 6, 15-10-1936 (www.delpher.nl)

Oorlogsjaren museum

Duitse- en Nederlandse autoriteiten waaronder Ir. Mussert verlaten het van Abbe museum, samen met de net geïnstalleerde NSB burgemeester Pulles van Eindhoven. Deze installatie was op 21 februari 1942 in het Van Abbemuseum. 
De eerste directeur dr. W (Wouter) .J.A. Visser nam februari 1942 ontslag omdat hij er niets zag in het organiseren van NSB-tentoonstellingen. Visser werd opgevolgd door J.P.G. Peeters en L. Vrijdag. Onder de directoraten van Peeters en Vrijdag zou het museum steeds meer verworden tot een podium voor propagandatentoonstellingen. Visser werd na de bevrijding weer aangesteld, maar werd al in 1946 directeur van de Rijksmonumentenzorg.

Na de bevrijding september 1944 werd op de toren van het Van Abbemuseum een uitkijkpost gebouwd. Het museum kon weer een nieuwe start maken.

Er is maar één Henri van Abbe 

17 januari 2003 wordt in Eindhoven het gerenoveerde en uitgebreide Van Abbemuseum door koningin Beatrix geopend. Het museum werd gesticht door sigarenfabrikant Henri Jacob van Abbe , die zijn Amsterdamse afkomst nooit verloochende. De opmars van de Karel I-sigaren werd geleid vanuit een in de hoofdstedelijke kleuren geschilderd kantoor.

Op zaterdag 18 april 1936 werd op de voorpagina van het Eindhovensch Dagblad verslag gedaan van de opening die dag van het Stedelijk Van Abbe-Museum. Dat de schenker van het museum de Eindhovense sigarenfabrikant Henri van Abbe was, zal niemand zijn ontgaan. Rechts onderaan de voorpagina van de krant stond een advertentie voor zijn sigarenmerk: 'Er is maar één Karel I'.

Henri van Abbe kon de bouw van het door A.J. Kropholler ontworpen museum op de voet volgen, want zijn huis - Villa Berthenja aan de Bilderdijklaan - stond aan de overkant van het bouwterrein, aan het riviertje de Dommel.

Het eerste levensteken van het museum is te vinden in de notulen van de raadsvergadering die op maandag 30 januari 1933 werd gehouden. Burgemeester A. Verdijk deelde die avond mee dat 'een onzer verdienstelijkste burgers' geld beschikbaar had gesteld voor de bouw en de collectie van een museum. De naam van de schenker werd pas bekendgemaakt nadat de raad met het voorstel van de voorzitter 'het aanbod met den grootsten dank te aanvaarden' en 'aan den naam van het museum den naam van den stichter te verbinden' had ingestemd. Hetgeen geschiedde. De voorzitter: ''Dan zal het museum heeten: 'Stedelijk Museum Van Abbe'.''

Voor de bouw van het museum schonk Henri van Abbe 150.000 gulden, en bovendien nog eens een bedrag van 35.000 gulden, 'voor den aankoop van nieuwe schilderijen'. Hiervoor stelde Van Abbe 26 schilderijen uit eigen collectie voor aankoop voor. In het streekarchief wordt een doorslag van de getypte lijst van deze schilderijen bewaard.

Carel Willink

SCHILDER MET ZIJN tweede vrouw Wilma Jeuken
1934
olieverf op doek
172,5 x 123,6 x 4,5 cm (incl. lijst)

schenking / donation H.J. van Abbe

Jan Sluijters

VROUWENPORTRET
1929
Jan Sluijters
olieverf op doek
189,2 x 147,4 x 5,3 cm (incl. lijst)

schenking / donation H.J. van Abbe

William Henry Singer

ZOMERDAG
1929
William Henry Singer
oil on canvas
56,3 x 61,1 cm
57,6 x 62,4 x 2,1 cm (incl. lijst)

schenking / donation H.J. van Abbe

Te weinig aandacht voor Van Abbe

Over die schilderijen, waaronder werken van onder anderen Jan Sluijters, Carel Willink, J. Dooyewaard en Isaac Israëls, ontstond na de dood van Henri van Abbe nog onenigheid. De zoons van Van Abbe vonden dat het museum, waar inmiddels Edy de Wilde directeur was geworden, te weinig aandacht schonk aan de door hun vader bijeengebrachte collectie. Zoon Jan-Francis schreef in 1954 een brief aan het college van b. en w. van Eindhoven waarin hij en zijn broer Albert bezwaar maakten tegen het uitlenen van de schilderijen. ''Tevens maken wij bezwaar tegen het feit, dat deze schilderijen practisch geheel uit de museum-zalen zijn verdwenen en naar men beweert in de kelder zijn opgeslagen.'' In een latere brief deed Van Abbe de suggestie de collectie van zijn vader in een aparte zaal tentoon te stellen.

In de repliek van De Wilde klonk irritatie door. De museumdirecteur ontkende dat er sprake was van 'systematisch verdonkermanen'. Het idee voor een Van Abbe-zaal vond De Wilde geen goed plan: ''Wij zouden ons belachelijk maken.''

Dat De Wilde een andere kunstkoers voor ogen had, bleek uit de geruchtmakende aankoop van Femme en vert van Picasso, dat op 7 februari 1954 voor het eerst in het Van Abbemuseum tentoon werd gesteld. 

Vermoedelijk vormde deze spectaculaire aankoop de aanleiding voor briefwisseling tussen de zoons van Van Abbe en De Wilde. De prijs van dit werk uit de kubistische periode van Picasso, 114.000 gulden, veroorzaakte zo veel negatieve reacties (onder meer een condoleancetelegram van de schilderes Lizzy Ansingh), dat de museumdirectie het raadzaam vond bij de opening van de tentoonstelling een suppoost te posteren 'die den bokskunst machtig was'.

In het Eindhovense kantoor van klein zoon Jan-Francis van Abbe - hij is de jongste van negen kinderen van Henri's zoon Albert - hangt een geschilderd portret van zijn grootvader, dat hij op de zolder van zijn ouderlijk huis vond. Het door B. Ahrens in 1925 gemaakte schilderij is een van de vele portretten, want volgens Jan-Francis van Abbe was zijn grootvader een ijdele man die zichzelf 'eindeloos liet vereeuwigen': ''Als je 25 jaar in de fabriek werkte, kreeg je een ingelijste oorkonde met daarop het portret van Henri van Abbe. Moet je je voorstellen: had je al 25 jaar tegen die man aangekeken, kreeg je een oorkonde met weer die kop erop. Ja, mijn grootvader was wel dol op zichzelf.''

Op de foto is de tabaksfabrikant en mecenas afgebeeld naast zijn door Kees van Dongen gemaakte portret. De schilder met palet poseert aan de voeten van zijn beschermheer. Achter Henri van Abbe hangt het portret dat Van Dongen maakte van Van Abbes kleindochter Olly, de zuster van Jan-Francis. De foto is gemaakt in de fabriek van Karel I aan de Tongelresestraat in Eindhoven; op de achtergrond zijn nog stapels sigarendozen zichtbaar.

Het duurste werk betreft 'liggend naakt' van Jan Sluijters, 3500 gulden. De eerste portier van het Van Abbemuseum herinnerde zich in het Eindhovens Dagblad dat hij dit schilderij altijd moest verwijderen uit de tentoonstellingszaal als er kinderen kwamen: "Dat mochten ze niet zien.''

Van Abbe kende de schilders persoonlijk

Van Abbe kende de schilders van wie hij werk verzamelde allemaal persoonlijk. Hij kocht het liefst van nog levende kunstenaars; die hadden er tenminste nog iets aan. Jan Sluijters was een huisvriend, Kees van Dongen zocht hij vaak op in zijn atelier in Parijs en ook Constant Permeke was een vriend. Van deze Vlaamse expressionist kocht hij het beroemde werk De zaaier, dat later aan het museum werd geschonken.

Toen Jan-Francis in 1956 werd geboren, was zijn grootvader al zestien jaar dood. Het beeld dat hij van hem heeft, is afkomstig uit de verhalen die in de familie de ronde doen, want een biografie is nooit over Henri van Abbe verschenen. Opa mocht dan dood zijn, het leven van de Van Abbes bleef gehuld in sigarenrook. De zoons en heel wat andere familieleden waren werkzaam in de fabriek en ook op andere manieren werd men eraan herinnerd. Jan-Francis van Abbe: ''Thuis stond een kleine guillotine met onder het hakmes een sigaar met de tekst 'Ik ben de sigaar'. We vierden altijd een maand vakantie aan zee, in Huis ter Duin in Noordwijk aan Zee, en dan gingen er vrachtwagens van Karel I met de spullen mee. Ter gelegenheid van communies en trouwerijen werden vaak sigarendozen met speciale opdruk gemaakt, die de gasten dan meekregen.''


Voor het 25-jarig huwelijk met zijn vrouw, Aldegonde Maria van Reeken, liet Henri van Abbe nog zo'n speciale doos maken, met hun beider portretten op het sigarenbandje, maar het huwelijk hield uiteindelijk geen stand. Nadat, de echtgenote van Henri, naar Zandvoort was vertrokken - haar oudste zoon Henri nam ze mee - was er in Villa Berthenja (een mix van de voornamen van de drie zonen Albert, Henri en Jan) sprake van een typisch mannenhuishouden, met bijbehorende humor. Jan-Francis: ''Mijn vader was samen met zijn broer Jan op pad geweest en belde 's nachts aan, waarna mijn grootvader het luikje opende en sprak: 'The house is full up, there aren't any rooms left.' Waarna hij het luikje weer dicht deed.''

Kees van Dongen voor het prive schilderij van H. van Abbe.  
In 1938 ( 5 febr. -5 maart) exposeert van Dongen in het Van Abbemuseum met de titel Van Dongen 1877 -1937  met 70 werken. Vooraf was er nog wel gedoe over deze exposite. Op bevel van de Eindhovense burgermeester  A. Verdijk werden voor de opening vijf naakten verwijderd. Van dongen zei daarop: "Mij kan het niets schelen. Ik vind mijn aangeklede meisjes net zo mooi als mijn uitgeklede".  Uit: Kees van Dongen: Ster van de lichtstad.  Lichtstad slaat op zijn werk in vooral Parijs en niet op Eindhoven.  isbn 9789055947508. Overigens werden ook in Amsterdam, Rotterdam en andere steden zijn "naakten" verboden om tentoon te stellen.  Hieronder  een artikel over deze kwestie in De Telegraaf 06-02-1938

Jacque van Abbe

Jan Sluijters
Portret van Jacque van Abbe (1913-1962) ca. 1940 
rechtsbovenJan Sluijters
Private collection

olieverf / doek, 135 x 96 cm

Portret van mevrouw Van Abbe 

Mijn moeder (Aldegonde Maria van Reeken), was op haar twintigste een prachtige vrouw en Sluijters hield daar wel van, maar naar de zin van mijn grootvader had hij haar te bloot afgebeeld; je zag een tepel door de jurk heen schemeren. Dat schilderij heeft hij toen weer naar Sluijters teruggestuurd met het verzoek het te wat te kuisen, wat ook gebeurde.''

1933 gedateerd
olieverf / doek, 100 x 80 cm

Berthilde van Abbe  

Portret van Berthilde van Abbe (1942-....) , Meisje in communiejurk

1950 gedateerd
olieverf / doek, 80 x 60 cm

Henri Van Abbestichting

Henri van Abbe werd op 8 januari 1880 in Amsterdam geboren. In 1900 begon hij in Amsterdam op bescheiden schaal met de fabricage van sigaren, maar verhuisde in 1910 naar Brabant, waar hij in Gestel een sigarenfabriek vestigde. Eindhoven was destijds een echte sigarenstad en had, voor Philips er heel groot werd, zelfs de bijnaam La ville fumee. Later verrees aan de Tongelresestraat in Stratum een enorm fabrieksgebouw. Het fabriekscomplex stond afgebeeld op het briefpapier van Van Abbe. Rokende schoorstenen gaven aan dat het de firma voor de wind ging. In de toptijd - de jaren dertig van de vorig eeuw - werkten er 2500 mannen en vrouwen in de Brabantse en Belgische fabrieken van Van Abbe, waar sigaren met namen als Paladijn, Bertenja en Lovely werden gemaakt, allemaal ondermerken van Karel I, het seriemerk. Op de dozen kijkt de Britse vorst, die het roken stimuleerde vanwege de belastingopbrengsten, de roker hooghartig aan. Toen er voor het merk Karel I een doos ontworpen moest worden, gaf Henri een kopiist opdracht naar Parijs af te reizen om in het Louvre het portret van Karel I na te schilderen, geschilderd door Antoon van Dyck: 'Charles Ier, roi d'Angleterre, à la chasse'. Dit portret verscheen op de dozen en de sigarenbandjes. De kopie hangt nu in het hoofdkantoor in Valkenswaard van Swedish Match, de huidige eigenaar van Karel I.

Henri was de zoon van een joodse vader en een niet-joodse moeder, en eenmaal gevestigd in Brabant, koos hij onvoorwaardelijk voor het katholieke geloof, volgens zijn kleinzoon vermoedelijk 'om den brode': ''Hij is in de leer geweest bij de zusters Clarissen en als dank heeft hij toen aan het klooster een kruisweg van de schilder Albert Servaes cadeau gedaan.''

Jan Francis omschrijft zijn grootvader als een strenggelovige, sober levende man, bijna een asceet. ''Bij hem ging alles met mate. Hij rookte slechts zelden een sigaar en dronk slechts een keer per jaar een borreltje, tijdens de nieuwjaarsreceptie in Villa Berthenja. Bij hoge uitzondering nam hij er wel eens twee, maar dan stond hij ook onmiddellijk op zijn kop, vertelde mijn vader. Hij hield wel van lekker eten. Dan liet hij rustig oesters komen van Dikker en Thijs, want hij bleef altijd trots op Amsterdam. Zijn hele kantoor heeft hij in de Amsterdamse kleuren, rood en zwart, laten schilderen en in de vergaderzaal was het wapen van Amsterdam koeiegroot afgebeeld, erger kun je in je liefde voor een stad toch niet gaan.''

Zijn zoons stonden een minder ascetische levenswijze voor, hetgeen mogelijk werd gemaakt door de bloeiende tabaksfabriek. Jan-Francis: ''Mijn vader en zijn broer, oom Jan, hebben in de jaren dertig vier keer de Rally van Monte Carlo gereden, in een Bugatti."

Zijn grootmoeder heeft Jan-Francis nog wel gekend: "Zij was in alles het tegenbeeld van mijn grootvader, die een teruggetrokken bestaan leidde. Mijn oma was enorm aanwezig, zij vulde het hele huis. Een enorm geestige vrouw; vrijgevig, vrijdenkend, de leukste oma die je kan bedenken. Ze at eens bij ons thuis en zat een beetje in de zuurkool te roeren en vroeg in onvervalst Amsterdams wat het in hemelsnaam was. Mijn moeder zei dat het echt heel lekker was, maar dat stelde haar niet echt gerust: 'Doe mij maar een doos rumbonen'.''

'Toen mijn ouders zich verloofden kregen ze van mijn opa een geschilderd portret van hen beiden door Jan Sluijters. Mijn moeder was op haar twintigste een prachtige vrouw en Sluijters hield daar wel van, maar naar de zin van mijn grootvader had hij haar te bloot afgebeeld; je zag een tepel door de jurk heen schemeren. Dat schilderij heeft hij toen weer naar Sluijters teruggestuurd met het verzoek het te wat te kuisen, wat ook gebeurde.''

Henri van Abbe had geen last van preutsheid als het ging om het aan de man brengen van zijn sigaren. Jan-Francis van Abbe: ''Ik kwam de vroegere impresario Lelyveld tegen die mij vertelde dat hij in de jaren dertig van mijn opa de opdracht kreeg voor een pauzenummer in de Louis Bouwmeester Show uit een doos Lovely sigaren, destijds dé feestsigaar, twaalf schaars geklede meiden te laten springen.''

Henri van Abbe overleed op 18 november 1940, vier jaar na de opening van zijn museum, aan de gevolgen van een verwaarloosde ontsteking aan de blindedarm. Hij werd bijgezet in de grafkapel die hij door Kropholler, de architect van zijn museum, had laten bouwen.

De gift van Henri van Abbe was de afgelopen jaren een twistappel in de Eindhovense politiek. Het museum met het torentje zou in de oorspronkelijke plannen van de Amsterdamse architect Abel Cahen worden 'overbouwd', feitelijk worden opgeslokt door de nieuwbouw. Een deel van de familie Van Abbe reageerde verontwaardigd over het feit dat het geschenk van hun grootvader aan de stad Eindhoven zonder overleg op de tekentafel werd weggevaagd. Om aantasting van het gebouw van Kropholler te voorkomen, werd de Stichting Behoud het Van Abbemuseum opgericht, de latere Henri Van Abbestichting. Uiteindelijk kwam er een compromis uit de bus: er kwam meer grond ter beschikking, Cahen paste zijn ontwerp aan en de schepping van Kropholler werd in zijn waarde gelaten.

Een paar maanden na de opening van het museum in 1936 werd de gulle gever bedacht met een plaquette met een portret, maar de erkentelijkheid van de gemeente jegens de stichter mocht niet te veel kosten. Uit de in het streekarchief bewaarde correspondentie blijkt dat er stevig op de prijs werd beknibbeld. De beeldhouwer John Raedecker, bekend van de beelden van het Nationaal Monument op de Dam en ook de maker van de steigerende paardjes voor de entree van het museum, werd voor de plaquette benaderd, maar het door hem gevraagde honorarium van 1500 gulden werd te hoog bevonden. De beeldhouwer Lambertus Zijl, van wie ook enkele beeldjes tot de collectie van het Van Abbe behoren, bleek na bemiddeling van architect Kropholler bereid de voor de hal van het museum bestemde plaquette voor zeshonderd gulden te maken, al schreef hij dat hij het nooit voor een dergelijk laag bedrag zou hebben gedaan als de heer Kropholler geen goede vriend van hem was geweest.

Geknibbel is van alle tijden. De gevels van de nieuwbouw van het Van Abbe zijn bekleed met Zweedse leisteen. Liever had architect Cahen een duurdere Noorse leisteen aangebracht, maar dat ging de begroting te boven. Als protest liet hij alsnog een klein vlak in de door hem gewenste leisteen uitvoeren. Twee maanden mochten de 25 Noorse leisteenplaatjes als een stille aanklacht tegen de kruideniersmentaliteit van de gemeente op de wand blijven zitten, waarna ze alsnog werden vervangen door de goedkopere soort.

Het fabriekscomplex aan de Tongelrese straat werd in 1971 door een brand verwoest, waarbij dertig miljoen sigaren in rook opgingen. Het familiebedrijf was twee jaar eerder verkocht. Van de eens zo machtige fabriek rest nog slechts een muur met gele tegels met daarop in zwarte kapitalen: 'N.V. KAREL I SIGARENFABRIEK V/H H.J. V. ABBE'.

HANS HOEKSTRA (Parool 14-1-2003)

Beetje terleurstellend bedrag van € 60.000  bracht "Aan een Zwitsers meer"  uit 1928 op, tijdens een catawiki online veiling in 2015. Dit schilderij was  in bezit van erven Henri van Abbe.  Geschildert door Jan Sluijters   (1881-1957)  olieverf / doek, 65 x 46 cm

Van Abbemuseum in Eindhoven

Hedendaagse kunst, een imposante collectie met werken van o.a. Picasso, Chagall, Kandinsky, El Lissitzky, Theo van Doesburg, Mondriaan en Appel.
https://vanabbemuseum.nl/

Henri van Abbe Stichting 

De Henri van Abbe Stichting is in 1993 opgericht en werpt zich sindsdien op als erfgoedwaakhond van Eindhoven. http://vanabbestichting.nl/index.htm