Brandweer voor 1941

Onderstaande informatie is afkomstig uit het boekje "25 jaren beroepsbrandweer Eindhoven", aangevuld met extra materiaal. Het boekje is uitgegeven in 1966 door de gemeente brandweer Eindhoven in samenwerking met de Afdeling Voorlichting en Representatie. Lees ook

VAN WATERDRAGERS EN BRANDGRAVERS

Het oudste archiefstuk over de Brandweer van Eindhoven is een ordonnantie van burgemeester, schepenen en vijfmannen uit 1643. waarbij vijfentwintig mannen werden aangesteld om water te dragen en de huizen te begieten en vijftig werden opgeroepen om „in het geweer” bij de Woenselse en Stratumse poort wacht te houden. Wie zich hieraan onttrok kreeg een boete van drie Bossche ponden. Verder moesten de burgers bakken met water, emmers, leren en haken gereed houden op straffe van dezelfde boete. Het water haalde men in die tijd uit „brandgravers”. Dit waren sloten verbonden met Dommel of Gender.
1698 moet een belangrijk jaar voor de brandweer zijn geweest: er werd een brandspuit gekocht, van Amsterdams fabrikaat, waarvoor kort daarna een brandspuithuisje werd gebouwd. De hevige brand in de Fellenoord in 1719. die toegeschreven werd aan brandstichting, bracht er zozeer de schrik in. dat nog datzelfde jaar een vrijwillige brandwacht in het leven werd geroepen. Een jaar later vertrouwde men de bediening van de brandspuit toe aan het Sint Barbaragilde. dat de zaken serieus aanpakte. Er werden zes nieuwe brandladders, acht brandhaken en twintig emmers gekocht en men stortte zich voortaan tweemaal per jaar in een grootscheepse oefening. Dit was iedere keer een brandpunt van vermaak, waar veel water aan te pas kwam, maar uiteindelijk ook liters bier. Met het gevolg dat aan Jan Vogels, de stadsherbergier, moest worden opgedragen bij deze gelegenheden niet meer dan tien kannen bier te tappen.



Start "vrijwillige" brandweer  in 1643

Is geordonneert bij Borgemeesters, Schepenen ende Vijffmannen der Stadt Eyndhoven, dat voor desen aenstaenden nacht 25 manschappen sullen geroepen worden tot coste deser Stadt, om continuelick waeter te draghen naer de affgebrande buy sen aen de Merckt ende het vuyt te gieten ende te blusschen en dat desen nacht vijftich manschappen sullen waecken soo in het Stadthuys als aen alle poorten, te weten 25 sullen gestelt worden aen de Woenselsche Poorte ende de andere 25 aen de Stratumsche Poorte onder ’1 commando van Lucas Marttens van Poppel ende drie corporaels bij hem te assumeren, die op het luyden van de clock sullen compareren met haer geweir voor de Stadthuyse, om rotten te maecken, wachten 
te stellen, continuelick ronden te doen, soo op de Mercktvelt als andere straten, op pene van drie Bossche ponden bij de fautachtigen te betaelen.
Item sullen alle de borgers aen een iegelicken buys gehouden sijn te setten cuypen ende draeghtoppen, gevult met water ende voorts emmers, leren ende haecken gereet te houden, op gelijcke pene.
Ende des noet zynde soo sal de wacht op morgen bij de Borgemeesters vernieuwt worden tot sitlcke getal als sij sullen noodich vijnden.
Dese voors ordonnantie voor den Stadthuyse ter gewoonlycke plaetse gepubliceert ende affgelesen door order ende ten overstaen van Schouteth, Borgemeesters ende Schepenen voors. desen 27e Juny 1643.
Quod attestor,
get. Wouters, Secretaris.s.

In 1721 stonden er in het Eindhoven nog vele woningen met rieten daken.

STROOIEN DAKEN

Hoewel Willem van Oranje in 1554 door middel van premies het bouwen van stenen huizen en leien daken had aangemoedigd, stonden er in het Eindhoven van 1721 nog vele woningen met rieten daken. In 1721 kwam de afkondiging dat de strobedekking van de huizen voor 1 januari 1722 door pannen moest zijn vervangen. Dit bracht grote consternatie teweeg, maar er gebeurde verder niets. De magistraat liet het er echter niet bij zitten en maande op 14 april 1723 „dat de strooyen daken van huizen, schuren en secreten moesten zijn geruimd met October ’s-jaars”.

Tot 1800 echter vonden we hier nog gebouwen met daken van stro. Het blijkt dat men voor 1732 nog geen reglement ter voorkoming en bestrijding van brand had. Wei vaardigde de magistraat na elke brand een nieuwe verordening uit, maar zo bleef men achter de feiten aanlopen. Totdat naar aanleiding van een brief in februari 1732 van de Hoogmogende Heeren der Staten Generaal een reglement werd opgesteld tot „voorkoming en blussing van brand in de heerlijkheid”.
Maar het moet gezegd, tot een bekrachtiging ervan is het, in Eindhoven althans, niet gekomen. In 1733 werd opnieuw een brandspuit gekocht, die met veel tamtam werd afgehaald. Toen men de spuit wilde proberen, bleek deze defect te zijn. Waarschijnlijk was men er onderweg te wild mee omgesprongen.
Het onderhoud van de brandspuit werd in 1800 toevertrouwd aan een zekere Lambert van Buul voor de tijd van zes jaar, tegen een jaarlijkse vergoeding van f 12,10. Daarvoor viel deze eer te beurt aan de koperslager Jacobus Pijpers, die ook als brandspuitmaker nog van zich zou doen spreken.

MENINGSVERSCHILLEN
Na 80 jaren voor het brandblussen te hebben gezorgd, zegde het St. Barbaragilde wegens een meningsverschil met het St. Sebastgilde zijn diensten op. Het gemeentebestuur liet zich echter niet onbetuigd, want het stemde toe in een vrolijke afscheidsavond op stadskosten.
Op 27 maart 1807 drong de Minister van Binnenlandse Zaken bij het gemeentebestuur aan op verbetering en uitbreiding van het materieel door brandspuiten te betrekken van Mr. Jacob Hendrik Onder de Wijngaard Canzius te Delft. Het gemeentebestuur antwoordde beleefd maar zeer beslist, dat er een onderlinge hulpverlening bestond tussen de gemeenten Eindhoven. Woensel, Gestel, Strijp en Eckart: dat men twee grote brandspuiten had. waarvan de weerga niet te vinden was; dat Woensel zes en Strijp vier spuiten had; dat deze spuiten alle gemaakt waren door Jacobus Pijpers, meesterbrandspuitmaker van Eindhoven en dat deze zodanig uitblonk in dit ambacht, dat zijn werkstukken de toets van de kritiek in vergelijking met die van de heer Canzius konden doorstaan. Voorgesteld werd nog de beide fabrikanten op de proef te stellen en de minder goede uit te sluiten. Maar zover is het natuurlijk niet gekomen.

VOORSCHRIFTEN EN VERORDENINGEN
In 1836 werd voor het eerst melding gemaakt van een soort brandweerkorps, waarvoor de raad een instructie vastlegde. Het korps bestond toen uit een algemeen en een bijzonder bestuur. Het algemeen bestuur werd gevormd door een brandmeestergeneraal en een le. 2e en 3e brandmeester voor elke spuit, alsmede een le en 2e secretaris.
Het bijzonder bestuur had niets te besturen, want hiertoe behoorde het bedienend personeel (76 man). Verder waren aan elke spuit zestien pompers toegevoegd en twee betaalde knechten. Het water voor de brandbestrijding kwam van Gender, Dommel en Vest en verder van drie putten: een achter hotel de Wildeman aan de Markt, een op de Berg en een in de Vrijstraat. In 1841 verscheen bij G. A. Sol het ..Reglement van Beleiding en tot Voorkoming van Brand voor de Stad Eindhoven”. Er staat echter geen woord in over een instructie voor de brandweer. Het is nagenoeg gelijk aan de verordening van 1732. Wei bevat het een artikel voor de loodgieters, in het kort luidend dat indien men vuur nodig had. dit gemaakt moest worden in de schoorsteen of in de open lucht op voldoende afstand van de belendingen en dat dit niet naar zolders, bovenkamers en daken gebracht mocht worden.
Op 24 augustus 1893 werd door de raad een Algemene Politie Verordening vastgesteld, waarin nieuwe verordeningen betreffende de brandweer waren opgenomen. Alle inwoners boven de 23 en beneden de 60 jaar werden verplicht benoemingen in een betrekking bij de brandweer te aanvaarden en hun diensten persoonlijk te verrichten of door een geschikt persoon, ter beoordeling van burgemeester en wethouders, te doen waarnemen. Deze verplichting gold voor de duur van zes jaar en kon na zes jaar weer voor een zelfde tijdsduur worden opgelegd. De inwoners hadden wel het recht deze verplichting af te kopen door jaarlijks een bedrag van f 5,— te storten in de gemeentekas. Krachtens deze verordening moesten burgemeester en wethouders zes brandmeesters benoemen met wier hulp het aantal benodigde brandgasten moest worden vastgesteld en aangetrokken.
De strijd tegen het vuur trok kennelijk ook de weerbaarheidsvereniging aan. Op 2 September 1902 zond deze vereniging een adres aan de raad om bij brand te mogen optreden en daarvoor uniformkleding uit de gemeentekas te mogen kopen. Burgemeester en wethouders besloten echter een brandweerkorps naar de verordening van 1893 op te richten en op 15 oktober 1902 volgde de benoeming van een opperbrandmeester, namelijk de heer Jos van der Harten, vier brandmeesters en zeventien leden. In de daarop volgende jaren werd dit aantal nog uitgebreid

ZORG VOOR DE BRANDWEERMAN

Het college van brandmeesters ontwierp op 4 maart 1905 een verordening ter aanvulling van de Algemene Politie Verordening van 1893 om te komen tot een beloning voor de brandweerlieden en een indeling van de gemeente in vier kringen. Bij raadsbesluit van 5 augustus 1905 werd een nieuwe verordening op de brandweer goedgekeurd. Hierin was een huishoudelijk reglement met een instructie voor het personeel opgenomen. Eindhoven werd in twee kringen verdeeld. terwijl besloten werd een alarmeringssysteem aan te brengen.
De uitrusting van het korps bestond toen uit:
1 handspuit;
2 slangenwagens;
2 handwagens met ladders;
4 kaarslantaarns;
2 brandkraanhaken;
2 straalpijpen met 3 losse mondstukken;
12 rollen slang van 30 meter;
4 straalpijpen;
3 manchetten;
2 slangengordels;

2 fakkels;
1 dubbele koppeling;
10 jekkers;
2 brandhaken;
20 helmen;
2 blusapparaten;
1 handspuitje met 15 meter slang; 1 ladder van 11 meter;
1 ladder van 8 meter;
2 rookmaskers.

Door het aanbrengen van brandkranen op de in 1905 officieel ingebruik gestelde waterleiding trad een grote verbetering in bij de brandbestrijding. Hiervan profiteerde men voor het eerst op 2 november 1905 bij een brand in een pakhuis op de Langen Dijk, momenteel Blaarthemseweg.
Op 7 September 1909 besloot de raad op voorstel van burgemeester en wethouders het brandweerpersoneel te verzekeren tegen ongevallen.
Aan de commandant Jos van der Harten werd op 10 april 1910 wegens vertrek naar Nijmegen eervol ontslag verleend. Hij werd opgevolgd door de heer H. Spoorenberg.

REORGANISATIE
Het korps bleef verder tot 1912 ongewijzigd. Maar op 8 maart 1912 werd in verband met een nieuwe verordening op de brandweer aan het gehele vrijwillige brandweerpersoneel eervol ontslag verleend en werd een nieuw korps geformeerd onder leiding van de heer Camille van der Harten en verder bestaande uit twee brandmeesters en tien brandweerlieden.
Op 11 maart vergaderde het college van brandmeesters over de ontworpen nieuwe verordening en instructies voor het personeel van de gemeentelijke brandweer, welke verordening op 4 mei 1912 door de gemeenteraad werd vastgesteld. Op 12 maart 1912 had de officiële installatie plaats door burgemeester P. H. van Mens. De politie was in deze verordening mede belast met de brandbestrijding. terwijl de direkteur van Gasfabriek en Waterleiding eveneens de helpende hand diende te bieden.
Reeds in 1914 werd het plan opgevat een autobrandspuit aan te schaffen, maar door oorlogsomstandigheden kwam dit plan in de ijskast.
In augustus 1917 werd het korps uitgebreid met een brandmeester en vier brandweerlieden. Inmiddels was de heer C. van der Harten opgenomen in het bestuur van de in 1916 opgerichte Nederlandse Brandweervereniging.

WERKTERREIN VERGROOT
Als centrum van een zich snel ontplooiende industriële bedrijvigheid kreeg Eindhoven na de eeuwwisseling te maken met een aanzienlijke groei, die al spoedig over de gemeentegrenzen heen reikte. Geleidelijk won de gedachte veld dat een samenvoeging van de buurgemeenten Gestel, Stratum, Strijp. Tongelre en Woensel met de centrumgemeente Eindhoven in aller belang zou zijn. Op 1 januari 1920 werd de samenvoeging een feit. Eindhoven zag zijn gebied in een slag vergroot van 75 tot 6460 hectaren en zijn inwonertal van 6000 tot 45000. Toen de plannen voor deze forse gebiedsuitbreiding in 1918 vaste vorm begonnen te krijgen, staken de brandmeesters het hoofd bij elkaar om zich te beraden over een aanpassing van de brandweerorganisatie. Voorgesteld werd de nieuwe gemeente in te delen in negen brandweerkringen met een vrijwillige. bezoldigde brandweer. In de ontworpen personeelsformatie werd de commandant bijgestaan door drie hoofdbrandmeesters, vijf brandwachten, zestien brandmeesters, zestien adjunct-brandmeesters en honderdtachtig manschappen.
De acht kringen buiten het centrum moesten de beschikking krijgen over een handbrandblusspuit, terwijl voor algemene diensten een autobrandspuit moest worden aangeschaft. De autobrandspuit kwam er, in 1920. Het was een voertuig van het merk Benz, capaciteit 1600 liter per minuut bij 10 atmosfeer. Maar de verdere reorganisatie liet nog even op zich wachten.
Als brandweerlieden werden meer en meer bij voorkeur beambten of werklieden in gemeentedienst bij de brandweer benoemd.

Commandant Camille Johan Jozef van de Harten komt om als een muur van 9 m2 afbreekt en omstort. De commandant heeft geen uitweg meer en wordt door de muur bedolven.
 Hij riep nog naar zijn manschappen: “Pas op, die muur staat zwak”  [Eindhovens dagblad 22-10-1923 ]. Op 23 mei 1925  schonk de Utrechtse Brandweer een gedenktableau.
De brandweerkazerne 'Camille van der Harten' aan de Edenstraat is in 1952 gebouwd en in 1978 verbouwd.
De verbouwde kazerne werd in 1978 geopend door Commissaris van de Koningin Jan van der Harten  de jongste zoon van Camille.

 

Tijdens de brand aan de Strijpsestraat 80 [ was nummer=116, daar stond de sigarenfabriek Firma W.Smulders & Co] op 21 oktober 1923 leed de brandweer een zwaar verlies. Door het neerstorten van een gevel werd de commandant Cor van der Harten gedood en liepen twee brandweerlieden [o.a. H. van Hout] ernstig letsel op.  Onder grote belangstelling werd de verongelukte commandant op 24 oktober ter aarde besteld. Als plaatsvervangend commandant trad de heer J. C. H. Janssen op, die het korps tot 1932 in deze functie bleef dienen. Het korps bestond verder uit drie brandmeesters, drie hoofdlieden en twaalf manschappen.
In 1930 werd het materieel uitgebreid met een Magirusladderwagen op Ford-chassis met een ladder van 16 meter en voorzien van een motorspuitje.

BOSBRANDWEER
Op 28 april 1930 besloot de gemeenteraad een bosbrandweer in het leven te roepen, waarbij tevens een verordening inzake de organisatie van de bosbrandweer werd vastgesteld. De bosbrandweer werd in 1932 geformeerd en opgenomen in het bestaande brandweerkorps. Een jaar tevoren was reeds een bosbrandweerauto aangeschaft. Het personeel bestond uit een brandmeester. acht onderbrandmeesters en twee-en-zestig manschappen. De gemeente werd verdeeld in vier afdelingen waarover het personeel werd verspreid. Aanvankelijk bleek de animo om bij bos- of heidebrand op te konten gering te zijn. maar nadat in 1933 een aanvang was gemaakt met de oefeningen werd dit gaandeweg beter.
Het college van brandmeesters bracht in 1930 nogmaals het reorganisatieplan op tafel. dat inmiddels op enkele punten was gewijzigd. Voorgesteld werd een nevenpost in het noordelijke stadsdeel Woensel op te richten in verband met de doorsnijding van de stad door de gelijkvloerse spoorlijn. In de nevenpost zou een nog aan te kopen autobrandspuit moeten worden gestationeerd. Het bleef echter bij plannen.
Op 10 September 1932 overleed de heer J. C. H. Janssen, voorzitter van het college van brandmeesters en waarnemend commandant. Op 19 oktober van dat jaar kwam de benoeming af van de nieuwe commandant, mr. A. Fens.
In februari 1933 werd een minder kostbaar reorganisatievoorstel bij burgemeester en wethouders ingediend, maar ook dit bleek geen haalbare kaart te zijn.
In 1934 kwam een brandmeldingssysteem tot stand, dankzij het feit dat vele particuliere en bijna alle gemeentelijke telefoonaansluitingen voor brandmelding werden beschikbaar gesteld.
Tegen het einde van dat jaar kreeg ook een overeenkomst voor hulpverlening bij brand in omliggende gemeenten haar beslag.
In 1937 bestond de Eindhovense brandweer in de toenmalige vorm 25 jaren. Het jubileum werd gevierd met een uitgebreide tentoonstelling en demonstraties op brandweeren luchtbeschermingsgebied. Bij deze gelegenheid werd ook de jaarvergadering van de Koninklijke Nederlandse Brandweervereniging te Eindhoven gehouden.

LUCHTBESCHERMINGSDIENST


Nadat het college van brandmeesters herhaaldelijk op een herziening van het alarmeringssysteem had aangedrongen gaf het gemeentebestuur in 1937 aan de Rijkstelefoondienst opdracht een alarmcentrale aan te leggen. De Eindhovense luchtbeschermingsdienst, die in 1934 was opgericht, ontplooide steeds meer activiteit. De technische regeling van de luchtbeschermingsdienst, die onder leiding stond van de toenmalige brandweercommandant mr. A. Fens, was ontworpen door brandmeester ir. Budde. Door hun toedoen werd een programma-aktie op touw gezet voor de zelfbescherming en werden cursussen voor de wijkbrandweren ter hand genomen. Daar Eindhoven in 1938 door vele, gelukkig meest kleine branden werd geplaagd, kreeg het college van brandmeesters toestemming een autospuit aan te kopen. Zo kon nog in december van dat jaar een tweede autospuit, fabrikaat „Kromhout-Geesink”, capaciteit 2500 liter per minuut, in dienst worden gesteld.
In dit jaar nam ook een van de oudste en meest bekende brandweermannen, de hoofdman Pauw van de Braken, na 30 jaar dienst, afscheid van de brandweer.

toelichting foto's

Pauw van de Braken

Pauw is een legendarische brandweerman: “Bij een bedrijfsongeval is een man bewusteloos geraakt in een met vergiftigde gassen gevulde stoomketel in het pand van Stoomwasserij “De Lelie” te Veghel. Om de man te kunnen redden zijn gasmaskers nodig en laat nu in heel Veghel geen gasmasker te vinden zijn. Men gaat telefoneren en komt zo bij de brandweer Eindhove terecht, die direct twee man uitzendt naar de plaats des onheils. Dit is een rit van meer dan 20 km, in volle vaart. Ter plaatse aangekomen, blijkt dat niemand in de ketel durft af te dalen om het slachtoffert te bergen. De Eindhovense brandweerman Pauw van den Braken zet dan snel een gasmasker op en daalt in de ketel af. Bij een derde poging vindt hij het slachtoffer en brengt dit in de open lucht. Helaas is het te laat: het slachtoffer is reeds overleden. Dit alles behoeft niet zo uitvoerig beschreven te worden, ware het niet dat “Pauwke” toen “pas” 65 jaar oud was. “

Dorus van Bree over Pauwke (Eindhovens Dagblad 1979): Pauw van den Braken kende ik van de gemeente , hij was baas van de schilders en ik zal bij de timmerlieden. Hij heeft mij erbij gehaald, kort nadat Van der Harten was verongelukt. Van den Braken was ene fanatieke. Die wandelde op zondag met vrouw en kinderen door de stad, dan noteerde hij alle brandkranen en hij kende ze op ’t laatst allemaal uit zijn kop. En ’s winters ging hij de deksels smeren, want die wilden wel eens vastvriezen en dan kreeg je ze met geen geweld open. Hij woonde in de Waagstraat, met z’n neus op de brandweer, daarom was hij er altijd als eerste bij. Een keer was hij uitgegleden ;s winters, hij kon geen stap meer verzetten. Maar er was alarm en toen heeft hij zich naar de kazerne laten dagen om ons toch te zien uitrukken. Van den Brake is 96 jaar geworden, dat was vroeger al een taaie “ 

Jubileumportret van brandweerlieden bij gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de heer P.C. van der Braken als lid van de brandweer, met diploma van de Koninklijke Nederlandsche Brandweervereeniging.
Eerste rij v.l.n.r.: Jan Penson, H. van Gestel, ??, Pauw van de Braken, M.A.F. Fens, ?? en ir. D. Budde.
Tweede rij v.l.n.r.: G. Smits, M. Grijsseels, M. van de Dungen, ??, Chris Mandigers, F. Person, ??, ??, M. van de Dungen sr. , ??, ?? en Jan Hendriks.
Op de wand de tekst: "1 Minuut door vlugheid verkregen heeft menigen brand terdege bestreden."

1938

Extra informatie uit het boek "De Brandweer van de Lichtstad" door  P. Snellen en J Pero.
Als op 30 januari 1938 Prinses Beatrix wordt geboren, geeft de brandweer uitdrukking aan de vreugde. V.l.n.r. : Jan Hendriks, Gerrit Smits, Willem van de Dungen, Pauw van de Braken, Mies Gijseels, Jan Lammers, Kees Bakermans en Marinus van de Dungen.
In 1938 waren er erg veel branden in  Eindhoven in totaal 203, tegen 130 in het jaar 1937,  Vooral de brand op 19 mei van de timmerfabriek "De rietvink"  is spectaculair en moeilijk te bestrijden. Brandweer van Philips helpt mee en het kantoorgebouw en enkele loodsen aan de kanaaldijk kan worden behouden .

Brand "De Rietvink"

Over deze brand spraak men" De hitte was zo enorm, dat je het aan de overkant van het kanaal niet uit kon houden"

De brand wordt rond 17.00 uur ontdekt in een houtopslag. Brand wordt bestreden door vrijwillige brandweer en Philips brandweer .

19 mei 1938

Stoomtimmerfabriek 'De Rietvink' 

Stoomtimmerfabriek 'De Rietvink' was een kenmerkende stoomhoutzagerij en timmerfabriek aan het Eindhovensch Kanaal.

Deze fabriek werd in 1874 opgericht door P. Smits en C. van Poppel aan de Tongelresestraat te Stratum. Ze maakten gebruik van een zaag- en korenmolen, waartoe een zaagmolen uit Zwijndrecht werd ingezet. Dit was een achtkante stellingmolen op een zaagschuur. Deze molen dateerde van 1670 en heette De Rietvink.
In 1881 werd de molen gekocht door T.A. Van Dijck-Stumpers, die uit een geslacht van kleermakers stamde.

19 mei 1938

in 1956 opgeheven

 Nu werd de windmolen verplaatst naar het Eindhovensch Kanaal, wat het houttransport vergemakkelijkte. Ook was er een stoommachine die de schaafmachine aandreef. In 1892 werd een tweede stoommachine geplaatst. Dit betekende het einde van de windmolen, die in 1893 van bovenbouw en drijfwerk werd ontdaan. Onderdelen van de molen zijn misschien gebruikt in de windmolen Luctor et Emergo te Rijkevoort. De zaagschuur bleef staan tot 1904.

In 1938 woedde een felle brand in de fabriek, waarbij deze goeddeels verwoest werd. Vermoedelijk leefde het bedrijf daarna voort als houthandel om in 1956 opgeheven te worden.

Bron wikipedia

1939

Op 1 September 1939 werd door burgemeester en wethouders aan de heer mr. A. Fens op diens verzoek eervol ontslag als commandant van de brandweer verleend. De functie werd tijdelijk waargenomen door de ondercommandant de heer H. J. van Gestel. In dit jaar leverde de P.T.T. de langverwachte alarminrichting, die een plaats kreeg in het kantoor van de brandweer aan de Paradijslaan. Maar het geduld werd nog even op de proef gesteld : de nieuwe aanwinst kon om technische redenen eerst op 1 augustus 1940 in werking worden gesteld. Met ingang van 1 oktober 1940 werden twee hoofdlieden en twee brandwachten in vaste dienst aangesteld in verband met de buitengewone tijdsomstandigheden. Op 22 november 1940 kreeg het college van brandmeesters de opdracht de luchtbeschermingsbrandweer toe te voegen aan de gemeentelijke brandweer. In de loop van de maand december kwam de administratieve inpassing tot stand.


1940
In oktober 1940 krijgt het gemeentebestuur van het Departement van Binnenlandse Zaken opdracht een beroepsbrandweerkorps op te richten. Het gemeentebestuur loopt hier echter niet direct warm voor. Men volstaat vooralsnog met enkele wijzigingen bij het vrijwillige korps, waarbij de heer ir. H. G. van Veldhoven tot commandant wordt benoemd.

Lees meer over de Eindhovense brandweer na 1941